Voorwoord
Hij werd 116 jaar vóór mijn geboorte geboren. Ik kende hem niet bij naam, niet van foto’s, niet van verhalen. Maar ik vond zijn sporen in vergeelde registers van het KNIL. Zijn zoon liet woorden over hem na. Op Java vond ik zijn naam terug toen ik stoffige papieren vasthield die nog naar het verleden roken. En in Gombong, op het terrein van de voormalige pupillenschool, probeerde ik asfalt, kabels en brommers weg te denken. Het was ruim dertig graden, en toch had ik kippenvel—want heel even stond ik zij aan zij met een schim uit het verleden.
Ik liep waar hij liep, sliep waar hij sliep, en leefde waar hij het leven liet. Door de straten van Surakarta, langs de barakken in Gombong, onder de avondlucht van Bali en onder de rook van de Merapi in Yogyakarta, zijn geboortestad. Mijn betovergrootvader, Anton Herman Gerard Hendrik Thümann, leefde in een tijd waarin trouw aan het gezag belangrijker was dan trouw aan het geweten. Maar geen uniform krijgt een hart voorgoed stil.
Dit is geen inventaris. Dit is het verhaal tussen de regels door: geen opsomming van feiten, maar een poging te luisteren naar wat niet werd opgeschreven. Om zijn wereld opnieuw te laten ademen—tussen rook en regen, tussen schuld en menselijkheid.
“En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed.” — Joël 2:30–31
Proloog
Zijn wil geschiedde
Eerst was er niets. Alleen de stilte. Niet de stilte van vrede, maar de gespannen stilte van iets wat zich ophoudt aan de rand van de onderwereld. Het deed de paradijsvogels verstommen. Dieren hielden zich schuil. En het water langs de kusten in de Straat Soenda stond rimpelloos strak—alsof de hele archipel wist wat komen ging.
Op 27 augustus 1883 barstte de wereld. De Krakatoa ontplofte met een kracht die de hemel deed scheuren. De knal was de luidste die ooit op aarde werd gemeten. Binnen een straal van 64 kilometer scheurden trommelvliezen als rijstpapier uit elkaar. Vissers die hun boten nog wilden keren, hoorden niets meer—alleen een doffe dreun die hen voorgoed naar binnen keerde. Een jongen aan de kust hield zijn handen tegen zijn oren, maar hoorde alleen nog het suizen in zijn hoofd. “Apa iki, Bu?” stamelde hij, al kon hij zichzelf niet eens meer horen. De drukgolf raasde drieënhalve keer om de aarde. De knal werd 5.000 kilometer verderop nog gehoord—in Perth, in Madagascar, en op eilandjes waarvan niemand de naam nog kende.
Zwartgrijze kolommen stootten kilometers hoog de atmosfeer in. Tot de zon zich niet meer liet zien. De regen werd zuur. De zee, zwart. Tsunami’s sloegen kusten plat alsof ze van riet waren gevlochten. De hemel kleurde wereldwijd koperrood. De temperatuur op aarde kelderde. En donkere as regende dagenlang neer op de grote Soenda-eilanden. Krakatoa was verdwenen—weggevaagd, opgeslokt door vuur en zee, alsof de schepper zijn eigen monster niet langer kon verdragen.
Maar het leven ging door.
Op Javaanse bodem zette een Indisch jochie zijn eerste stapjes op aarde die zijn kleur droeg. Zijn voeten raakten een grond die nog nasidderde. Zijn longen ademden een lucht die zwaar was van stof. Zijn wereld kleurde rood—diep, dreigend, gloeiend rood—alsof de duivel een deken van vuur over de hemel had gehangen. Voor velen was het angstaanjagend, het teken van goddelijke straf of het einde der tijden. Maar voor hem, voor hem was het zijn jeugd.
Hij groeide op in dat rood. In dat donkergloeien vond hij geen dreiging, maar een manier om te overleven. De hel was thuis. De wereld had zichzelf al gescheurd vóór hij woorden leerde spreken. Dus hoe kon hij anders dan zich naar die scheuren voegen? De aarde had haar onschuld verloren. En hij, een kind van de nasleep, zou datzelfde pad volgen.
Hij zou leren bevelen te geven die geen tegenspraak duldden. Hij zou leren mikken op wie weigerde te buigen. In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Koningin, zou hij vuur openen op alles wat heidens ademde. Maar diep vanbinnen voelde hij—bij elke knal, elke schreeuw, elke druppel bloed—dat hij slechts verdergroef in de krater waar hij ooit uit geboren was. Als een echo van de hel—verpakt in mensenvlees. Was het zijn keuze? Of was dit zijn lot?
De eerste moesson
Een warme bries bewoog de palmbomen langzaam. De lucht stond te rimpelen van de hitte; zonlicht viel gefilterd door de bladeren. In de verte riep een gecko, krekels hielden het ritme. Het was een trage, maar levendige middag—tot boven de bergen donkere wolken samenkwamen.
Honden werden onrustig, vogels zochten haastig beschutting, en het eerste gerommel van de naderende moessonregen trilde door de warme tropenlucht. In de verte werden de contouren van de bergen wazig van het opkomende onweer. Het garnizoen van Djokjakarta lag geruisloos onder het donkere wolkendek.
Binnen de muren van het garnizoen klonk het getik op het bladerdak als een eindeloos marsritme—langzaam overstemd door de regen die losbarstte als een plots bevel. Dienbladen met natte glazen trilden op hun randen toen de donder rolde over de bergen, gevolgd door het schrille gehinnik van een opgejaagd paard op de binnenplaats. De lucht droeg het fluisteren van de doordrenkte vegetatie, en de modder spetterde op tegen de brokkelige fundering van de barakken.
In een koele kamer, achter houten luiken die klapperden tegen het ritme van de wind, greep Frederika Mollet zich vast aan de lakens. Haar schreeuwen sneed dwars door het lawaai van de storm—scherp en rauw. Het was het geluid van een vrouw die zichzelf overgaf aan iets dat groter was dan zijzelf. Haar gezicht stond strak, haar haren plakten aan haar slapen, en haar adem was een strijd.
Een tengere Javaanse vrouw zat op haar hurken naast het bed. Haar handen bedreven maar zwijgend. Ze was de enige vroedvrouw binnen bereik—geen papieren, geen titel, maar wel kennis die al generaties meeging. Haar werk werd betaald in guldens, rijst of een kip, afhankelijk van wat de familie kon missen. “Ambegané, nduk, ambegané…” fluisterde ze, haar stem zacht en ritmisch als een gebed.
Aan het voeteneind stond de 27-jarige Franse sergeant Antoine Thumann, roerloos, zijn uniform half los, kletsnat van het zweet en de vochtige lucht. Zijn handen, normaal gewend aan discipline en bevel, trilden licht. Dit was geen manoeuvre. Dit was onbekend terrein—iets waarvoor hij geen protocol had. Zijn blonde haar plakte aan zijn voorhoofd. Zijn blauwe ogen waren gefocust, maar glansden van iets wat hij lang geleden in het veld had afgeleerd: kwetsbaarheid.
Hij keek naar haar—naar haar zwarte, natte lokken als slierten over haar schouders, haar huid glanzend van inspanning, haar ogen aardebruin en vol vuur. Ze was jong, 18 jaar, sterk, en barstte open voor iets wat hen allebei oversteeg. Hij, gehard door patrouilles, veldslagen en jaren onder de tropenzon, stond daar nu als een man die zich geen houding wist te geven bij dit rauwe wonder.
Plotseling—tussen twee donderslagen door—kwam er een andere klank. Hoog, dun, en onmiskenbaar levend. Het eerste gehuil van een kind. Zijn zachte stem mengde zich met de regen, alsof het door de tropen zelf werd gedragen. Een ogenblik was alles stil. Zelfs de storm leek zich terug te trekken. Het kind, glanzend van vruchtwater en nog trillend van de overgang tussen werelden, spartelde zwakjes, zijn vuistjes gebald.
Antoine stapte dichterbij. Zijn blik op het kleine, trillende lichaam dat hen met gesloten ogen leek aan te kijken—onschuldig, onwetend, onaangetast door de wereld waarin het was neergedaald.
Wat er precies is gezegd in die kamer in Djokjakarta, weten we niet. De archieven zwijgen daarover, en het is ons later nooit verteld. Maar we kunnen vermoeden hoe het geklonken heeft: veel te veel warmte, een te jonge vrouw, en iemand die in haast god aanroept.
Ze zouden hem Anton Herman Gerard Hendrik noemen. Vier namen, zorgvuldig gekozen. Anton—een echo van zijn vader. Herman en Gerard—twee makkers uit het vierde bataljon, met wie Antoine zij aan zij de storm had getrotseerd. En Hendrik—de naam van Frederika’s vader, als een knik naar de lijn die haar hier had gebracht.
In de eerste maanden droeg het kindje nog de naam Mollet—de naam van zijn moeder, de naam die kinderen kregen wanneer liefde nog geen handtekening had. Pas twee maanden na zijn geboorte, toen Antoine en Frederika officieel trouwden, kreeg hij zijn vaders naam, overgecorrigeerd met een ümlaut: Thümann.
Zo begon, op 13 januari 1882, terwijl de moesson als een sluier over Djokjakarta lag, het leven van een jongen die niets zou herinneren van de man die hem zijn naam gaf.

De Merapi bij Djokjakarta. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 1403538)
Stel je voor dat het anders was gelopen. Dat Antoine langer had geleefd. Dat hij 's avonds met Anton op zijn arm over de veranda liep, de klamme hitte weglachte, en in het Frans zijn naam herhaalde als een melodie. Dat hij hem had leren lopen op het erf, tussen de papajabomen, zijn hand stevig in de zijne. Dat hij hem ‘mon petit’ had genoemd, of ‘min Büe’ op z’n Elzassisch. Hem had verteld over de sneeuw, de geur van kastanjes in Erstein. Misschien had hij in zijn zoon iets herkend wat hij zelf allang was kwijtgeraakt—onschuld. Een blik zonder oordeel. Iemand die hem niet kende als soldaat, maar gewoon als papa.
Ze hadden een taal kunnen delen die half Maleis, half Frans was, maar helemaal van hen samen. Misschien had hij zijn voornamen uitgesproken met trots—alle vier, elke keer weer, als een kleine zegen. Dan had Anton geweten hoe zijn stem klonk, hoe zijn uniform rook, hoe het voelde om vastgehouden te worden door een vader die hem had gewenst.
Maar niets daarvan gebeurde.
Op 10 juni 1882, nog geen vijf maanden na Antons geboorte, stopte het hart van zijn vader met kloppen—zonder dat hij ooit had gehoord hoe het had geslagen voor hem. Er bleef niets achter. Geen stemmen. Geen geuren. Geen hand op zijn hoofd. Geen graf waar hij later kon rouwen. Geen familie die verhalen vertelde. Zelfs geen herinneringen. Alleen een stil gemis dat hij zijn hele leven met zich meedroeg—een stil gemis dat zijn lot bezegelde.
Tussen twee werelden
Anton was de eerste Thümann geboren op Javaanse bodem. Een zoon van de Elzas en een zoon van Java. Voor altijd verdoemd om te leven tussen twee werelden. Een vergeten kind van een familie aan de andere kant van de wereld. Zijn opa, oma, neven, nichten, ooms en tantes in de Elzas wisten niets van zijn bestaan. Zij kenden zijn vader—als zoon, als broer, als jongen die ooit naar Indië vertrok—maar niet de kleine jongen die hij in de Oost had achtergelaten. Geen brief had de geboorte aangekondigd. Geen rouwkaart de dood gevolgd. Voor hen was Anton een ongeschreven voetnoot in een verhaal dat ze nooit zouden kennen.
Zijn vader stierf toen Anton nog maar een bundeltje onschuld was, warm en zacht in doeken gewikkeld. Een baby die niets wist van vaders, van dood, van moeten en laten. En toch veranderde dat verlies alles.
Frederika, zijn moeder, was amper achttien en al weduwe. Te jong om alleen verder te gaan, maar oud genoeg om te weten dat ze weinig keus had. Elke dag na Antoines dood voelde ze hoe haar toekomst slonk, zoals rijst in een steeds leger wordende kom. Ze hield Anton stevig tegen zich aan, alsof ze hem kon beschermen tegen een wereld die haar zelf al lang had verslagen. Haar tweede huwelijk was geen keuze uit liefde, maar uit noodzaak. Angst voor een toekomst waarin een vrouw zonder man nog minder waard was dan het stof onder haar voeten.
Op 15 februari 1883 trad ze opnieuw in het huwelijk met Ferdinandus Leopoldus Josephus van den Doren. Een Belgische man met orde, een loonstrook en toekomst—alles wat zij nodig had. Van den Doren was wachtmeester bij de lijfwacht van de Sultan, vertaler op een notariskantoor, een man met status. En als deel van dat nieuwe leven: Anton.
Hij hoorde erbij, maar slechts als een stil aanhangsel. Zoals een oude hutkoffer die meeverhuist naar een nieuw huis, maar nooit een vaste plek krijgt.
De verhuizing naar Soerakarta kwam snel. Van den Dorens nieuwe positie aan het hof van de Soesoehoenan bood aanzien en stabiliteit. Voor Frederika betekende het veiligheid. Maar voor Anton betekende het afscheid. Weg van Djokjakarta, weg van de enige straat die nog iets van zijn vader ademde.
Soerakarta
Soerakarta was een stad van traditie en ceremoniële pracht, waar zelfs de wind leek te buigen voor de wil van de Soesoehoenan. De gamelan klonk er zachter, trager, alsof ze zich bewust was van de heilige grond waarop ze speelde. Bleke paleismuren rezen op als stenen geboden, versierd met symboliek die Anton niet begreep. Hij liep door de straten als een vlekje stof op een marmeren vloer—ongezien en ongewenst.
Elke nacht bonsde de regen op het dak, als een herinnering die niet weg wilde zakken. De muren zweetten, de ramen kraakten. Anton groeide op tussen die geluiden—stil, voorzichtig, als onkruid tussen stenen. Hij hoorde niet bij de statigheid van de stad, niet bij de bloedlijnen die rituelen doorgaven van vader op zoon. Hij was geen erfgenaam van wat dan ook. Alleen van stilte.
Toen zijn halfzusje Adolphine Louise Charlotte van den Doren werd geboren, zag Anton hoe zijn stiefvader trots het kindje in zijn armen vasthield. Anton zag de warmte in zijn blik, een trots die hijzelf nooit had mogen voelen. Drie jaar later kwam er nog een halfbroertje bij: Ferdinand Louis Eduard van den Doren. Het huis vulde zich met nieuw leven en nieuwe stemmen, maar in Anton groeide een leegte die steeds meer ruimte innam.
Hij werd ouder. Hij leerde woorden voor dingen die hij nooit kreeg. Hij groeide op in een huis waar hij niet werd gemist—en misschien nooit écht was aangekomen. Hij hoorde bij het gezin, maar niet in het hart ervan. Er was geen haat, alleen een stille, onbenoembare afstand—een afstand die jaar na jaar vanzelfsprekender werd.
Toen het geld schaars werd en keuzes onvermijdelijk, was Anton het die als eerste de deur uit moest—en zijn moeder kon niet anders dan gehoorzamen. Zijn stiefvader legde zijn hand kort op Antons schouder, maar hij voelde alleen het gewicht, geen warmte, geen spijt. “Het KNIL zoekt jongens zoals jij,” werd hem zachtjes ingefluisterd.
Niet lang daarna werd hij opgehaald door een man in uniform, die zijn naam noemde alsof hij slechts een lijst afwerkte. Geen vragen. Geen uitleg. Alleen de reis naar Gombong. De man keek hem niet aan, maar ergens in zijn zwijgen school een weten—alsof hij al had gezien wat Anton nog moest ondergaan. Alsof hij het lot herkende van jongens zoals hij. Jongens die niets te verliezen hebben.
In de trein naar het westen flitsten palmbomen, sawa’s en bergflanken aan het raam voorbij—groen en levend, badend in zonlicht. Vlinders vlogen laag over de rijstvelden, kinderen speelden in beekjes. Maar binnen in de wagon zat Anton tegenover een onbekende toekomst. Hoe helderder het landschap buiten, hoe zwaarder het duister dat zich om hem heen nestelde. Hij wist nog niet van de roep om gehoorzaamheid, de koude ochtendappèls, de strafmarsen in de hitte. Hij wist nog niet van de eenzame nachten, de natte dekens, de stilte van jongens die liever niets meer voelden. Maar de man in uniform wist het wel.
Toen ze uiteindelijk bij het garnizoen aankwamen en Anton de poort zag die zich langzaam voor hem opende, voelde het alsof elk stukje verleden voorgoed achter hem wegzakte in de modder. Was het werkelijk zijn lot? Of was het eenvoudiger: dat een koloniaal leger graag jongens kiest zonder vangnet, omdat niemand voor hen naar het kantoor komt klagen?

Trein op een spoorbrug bij Gombong (±1890). Bron: Leiden University Libraries (KITLV 19341)
Een kind in uniform
De dag dat Anton zijn eerste uniform kreeg, viel er regen op de stoffige binnenplaats van de pupillenschool in Gombong. Geen tropische stortbui, geen donderslag, alleen een zachte motregen die alles vaal en glanzend maakte—zelfs het bruinige katoen van zijn mouw. Hij hield zijn arm omhoog en wreef over het insigne op zijn borst alsof hij de waarheid ervan wilde voelen. Hoorde hij eindelijk ergens bij?
Hij was pas acht toen hij naar Gombong werd gebracht—klein van stuk, maar al lang gewend aan het gevoel nergens écht thuis te zijn. Zijn moeder had hem stilletjes meegegeven aan een man in uniform, met een handdruk van zijn stiefvader die net iets te snel werd ingetrokken. Daarna de reis, het schokken van de trein, het zwijgen van de man tegenover hem, en het raam waarin sawa’s voorbij gleden als een droom waarin hij steeds verder verdween.
Gombong lag diep in het binnenland van Midden-Java. Het was een garnizoensdorp omringd door bergen en rijstvelden. Soldaten dronken er goedkoop arak en verspeelden hun soldij aan kaarten, paardenraces en vrouwen van wie niemand de namen kende. Voor een kind was er niets om zich aan vast te houden—behalve het plichtsbesef jegens de driekleur.

Anton Herman Gerard Hendrik Thümann, op 8-jarige leeftijd bijgeschreven in het stamboek van het korps Pupillen. Bron: Nationaal Archief Den Haag (NL-HaNA_2.10.50_377_0160).
De pupillenschool
De pupillenschool, gelegen in het fort, was geen school zoals andere. Het was een wereld op zichzelf—afgeschermd door discipline, geordend in bevelen, en gestructureerd rond het ritme van de dag. ’s Ochtends vroeg klonk de bel, en dan moesten de jongens in rij staan. Kleine jongens zoals hijzelf, naast oudere jongens met scherper getekende kaaklijnen en eelt op hun knokkels. Ze droegen allemaal hetzelfde. Aten hetzelfde. Spraken op dezelfde toon. En werden met dezelfde hardheid aangesproken.
In de eetzaal rook het naar lepelvet en keramiek. Alles had zijn orde: om zes uur ’s ochtends kregen de pupillen nasi goreng—zestien deka, niet meer. Met een klein blikje koffie, zwart en bitter, waar precies één lepeltje suiker in mocht. Later, om elf uur, volgde het tweede ontbijt: kleefrijst voor de oudsten, een halve portie voor de jongsten. ’s Middags, klokslag kwart over één, kwamen de metalen borden op tafel. Rijst, groentesoep, sambal oelek. Een kwart kilo vlees per hoofd—als je je bord leeg at. Na zonsondergang, om vijf over half zeven, was er het avondmaal: rijst, sajoer, een gekookt eendenei, en seroendeng—geraspte kokos met gebakken pinda’s. Het eten was geen troost. Het was een systeem. Wie kleiner was, kreeg minder. Wie aarzelde, verloor. Wie opviel, bleef hongerig. Alles werd gewogen, geteld, gecontroleerd—zelfs de stilte tussen elke lepel.
Overdag waren er lessen: rekenen, militaire instructie, lezen, schrijven, kaartlezen, schietoefeningen, en catechese. De missie had haar eigen lessen. Daar leerde Anton dat zijn moeder een heiden was, dat haar gebruiken dwaas waren, en dat het zijn plicht was het heidendom te beschaven. Hij kende het boek uit zijn hoofd: “Een goede soldaat dient God, koning en vlag.” Hij las het met vaste stem, en voelde hoe zijn kinderstem steeds iets minder van hemzelf werd.


Leerlingen van de militaire pupillenschool te Gombong. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 503755 & 503362)
Zelfs in zijn vrije tijd was rangorde de regel. Eén keer per week werd het plaatselijke zwembad schoongemaakt. De eerste dagen waren voor de Europese jongens. Daarna mochten de Indo’s. En pas op de laatste dag—wanneer het water dof en troebel was—kregen de inlanders hun beurt.
’s Avonds, wanneer de lampen dof brandden in de slaapzaal, lagen de jongens stil in hun bedden. Soms hoorden ze geschreeuw van oudere leerlingen buiten, of de schorre stem van een sergeant die zijn laatste bevelen uitschreeuwde als vloeken in de regen.
Anton hield zich dan stil, zijn dekens strak over zich heen getrokken, zijn handen gevouwen alsof hij zichzelf wilde bewaren. Als Indische jongen van de tweede rang had hij geleerd dat het veiliger was om niet te bestaan wanneer niemand je riep. Je gehoorzaamheid aan Nederland moest zichtbaar zijn, maar je aanwezigheid bij voorkeur niet.
In Gombong leerde hij niet huilen. Niet toen hij zijn knieën openhaalde bij het exerceren. Niet toen hij ’s nachts misselijk werd van de hitte. En ook niet toen de brieven van thuis uitbleven—lege weken zonder een woord van zijn moeder.
Het verdriet ging nergens heen, het werd alleen stiller. In de stilte groeide hij scheef, maar sterk—niet rechtop zoals de sergeanten hem wilden, maar gebogen in zichzelf. Warmte werd ingeruild voor orde. Nabijheid voor bevel. En wie iets wilde voelen, moest dat in stilte doen, onder de dekens, met het gezicht naar de muur.


De barakken waar Anton 127 jaar geleden in sliep alsmede het fort waar hij 8 jaar lessen volgde. Beide kleurenfoto’s zijn genomen op 9 mei 2025 door zijn achterkleinzoon Jeffrey Thümann.
Zes jaar nadat Anton in Gombong was aangekomen, werd er op een ochtend een nieuwe jongen binnengeleid—klein, met een zware tas en een schuchtere blik die aan alles leek te twijfelen. Anton merkte hem nauwelijks op, zoals hij de meeste nieuwelingen nauwelijks opmerkte. Tot één van de onderofficieren de lijst voorlas: “Ferdinand Louis Eduard van den Doren.”
De naam bleef hangen. Alsof hij niet in het heden thuishoorde, maar opsteeg uit een vroegere tijd. Anton kende die naam. Of eigenlijk: hij herinnerde zich het geluid ervan in moeders stem, lang geleden, toen Ferdinand nog een peuter was. Twee jaar oud, misschien. Een bruin kindje met zachte wangen en houten speelgoed.
Ferdinand was een jongen die zich moeilijk bewoog, te voorzichtig sprak. Iemand die geen voelsprieten had voor bevelen, omdat hij nog te veel gewend was aan stemmen die terugriepen. Hij zou uiteindelijk worden afgevoerd. Ongeschikt. Geen ceremonie. Geen afscheid. Alleen een naam die werd doorgestreept.
De pupillenschool leerde hen marcheren voordat ze leerden lopen in vrijheid. Leerde hen schieten voordat ze leerden twijfelen. Alles had een plek. Alles had een reden. De chaos van de wereld werd hier herschreven in commando’s. En Anton, die nergens bij hoorde, hoorde hier nu wél bij.
Het uniform gaf hem gewicht. Niet als jongen, maar als functie. Hij poetste het elke avond met omzichtige precisie, zijn vingers zwart van het vet. Hij streek zijn mouwen glad en boog zich over het stille water van de wasbak, alsof hij wilde weten of hij al bestond. Het gezicht dat terugkeek had nog babyvet in de wangen, maar de ogen waren al ouder. In zijn blik brandde iets vaags—niet fel, niet zichtbaar voor een ander, maar dieprood en tastbaar, als bloed onder de huid. Geen woede. Geen trots. Iets dat daar altijd al had gezeten, maar nu voor het eerst oplichtte. Dan ging hij staan zoals het hem was aangeleerd: voeten gespreid, armen langs het lijf, stil als een standbeeld. Een kind in de houding. Een kind in dienst.
“Want zij hebben hun kinderen geworpen in het vuur... wat Ik niet geboden heb, noch in Mijn hart is opgekomen.” — Jeremia 7:31

Entree van de pupillenschool te Gombong, feestelijk versierd ter gelegenheid van de 18e verjaardag van koningin Wilhelmina. Deze foto is genomen in Antons laatste week als pupil (1898). Bron: Leiden University Libraries (KITLV 27570)
In dienst van de driekleur
Zestien-en-een-half jaar oud. Ovaal gezicht. Hoog voorhoofd. Bruine ogen. Een gewone neus, een gewone mond. Spitse kin. Bruin haar, volle wenkbrauwen. Een pigmentvlek onder de navel. Geen littekens. Nog niet. Alleen dat signalement, opgetekend in het register van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger—zoals duizenden. Alsof een jongen te vangen viel in cijfers, afmetingen en huidkenmerken. Alsof je een ziel kon catalogiseren.
Maar achter dat signalement zat een jongen die zijn kindertijd had ingeruild voor bevelen. Hij was waar hij sinds zijn achtste naartoe was getraind: in de voetsporen van zijn vader, Antoine Thumann, sergeant. Was dit het dan? Het pad? Zijn bestemming? Als hij zich strak hield aan de regels, strak aan het geweer, zou het dan minder wringen vanbinnen? Zou de discipline hem vormen tot iets dat klopte? Misschien zou het lege, stille gat waar ooit een vader hoorde, vanzelf dichtgroeien. Misschien… als hij maar lang genoeg zweeg en gehoorzaamde… zou hij ooit voelen dat hij er echt mocht zijn. Maar voor nu voelde hij alleen de rand van zijn kraag, schurend in zijn nek, en het gewicht van zijn geweer tegen zijn schouder—koud en strak. Alsof het al wist wat het zou gaan eisen.
In zijn zak zat een boekje: “Geplaatst bij het derde depotbataljon.” Een overgangsplek. Tussen kind en man. Tussen pupil en soldaat. “Overgegaan bij het dertiende bataljon infanterie”, werd er twee maanden later bijgeschreven. Hij werd voorbereid op het bewerkstellingen en handhaven van het Nederlandse gezag—feitelijk een meedogenloze, eenzijdige koloniale oorlog. Hij leerde hoe je bivakken bouwde in de modder, hoe je bajonetten vasthield zonder aarzeling—en dat het ene mocht bestaan, het andere niet. Denken was overbodig. Twijfelen een zwakte. Gehoorzaamheid werd een deugd. Hij werd gevormd en gekneed, niet naar eigen beeld, maar tot een precisie-instrument van geweld—zo gebouwd dat hij bevelen zou uitvoeren, zelfs als daar bloed bij hoorde.
Borneo, 1901
Anton was negentien. Nog niet volwassen, maar ook geen kind meer. De onschuld die zijn vader ooit in zijn ogen had gezien bij zijn geboorte, was nergens meer te vinden. De man in het uniform die hem elf jaar geleden uit Soerakarta haalde, had het kunnen voorzien.
“Garnizoensbataljon van de Zuid- en Oosterafdeling van Borneo,” stond er in zijn papieren. Geen toelichting. Geen verklaring. Alleen een plaats, een datum, een opdracht—als het verplaatsen van een schaakstuk, ver weg van zijn geboorte-eiland.
Het gerucht ging dat de inlandse bevolking van het grootste Soenda-eiland steeds onrustiger werd—dorpshoofden weigerden belasting te innen, verkenningstroepen keerden niet altijd terug. Men sprak over “slapend verzet” in de Daijaklanden, en over het belang van zichtbare aanwezigheid. Het gouvernement noemde het handhaving. Voor de jongens was het vooral doorbikkelen in de onbegaanbare rimboe.
In de rapporten van het gouvernement heette het “handhaving van de Pax Neerlandica”: zichtbaar blijven, vlag tonen, belasting innen, kleine brandjes blussen voordat ze opstand werden. Het klinkt vredig, bijna Romeins. In de praktijk betekende het vooral dat jonge mannen als Anton eindeloze patrouilles liepen door gebieden die nooit om hun aanwezigheid gevraagd hadden.
Toen ze uiteindelijk aanmeerden bij een half weggerotte houten steiger, voelde hij het: hier begon iets wat niet meer omkeerbaar was. Het kampement bestond uit barakken op palen, tinnen daken en modderige paden. Alles rook naar vocht en schimmel. In de ochtend hoorde je gekrijs van apen, maar ’s avonds kwam de rimboe pas echt tot leven—met het tromgeroffel van kikkers, het schurend gekras van insecten, het getrippel van ratten op golfplaten daken, en het geritsel van iets dat net buiten het bereik van zijn ogen bewoog.
Hij was één van de velen. Een lichaam in bruikleen, met alleen een geweer, een veldfles, en gehoorzaamheid. Ze patrouilleerden dagelijks—soms vanwege meldingen, soms uit voorzorg. “We moeten gezien worden,” zei een sergeant. “Dan weten ze dat we niet slapen.” Dus marcheerden ze. Door modder en regen. Soms kwamen ze niemand tegen. Soms alleen een oude vrouw met een mand vol bladeren, die haar ogen neersloeg voordat iemand iets vroeg. En toch werd elk dorp als potentieel vijandig benaderd. Elk pad als een risico. Elke schaduw als een vergissing die je maar één keer maakte. Wat ze precies bewaakten, wist niemand meer zeker. Maar het idee van orde moest zichtbaar blijven. Al was het alleen voor henzelf.
Patrouille in de Daijaklanden
Er waren meldingen van beweging bij een kamp aan de oostelijke rand van het patrouillegebied. Een handvol mannen gesignaleerd, vaker dan normaal, volgens een inlandse informant. Geen openlijke opstand, nog niet, maar de kaarten lagen gespannen. “Ze bouwen iets,” zei de sergeant, terwijl hij zijn mes aan een steen haalde. “Te veel activiteit. Te veel mannen op één plek. We kijken. En als het moet, ruimen we op.” Alleen een richting, vijf namen, en het bevel om voor zonsondergang terug te zijn. Anton knikte toen zijn naam genoemd werd.
Hij maakte zijn tas gereed. Zijn vingers controleerden de munitie alsof het een ritueel was. Hij kende het ritme van patrouilles, het tempo van marcheren in onvoorspelbaar terrein. Hij wist ook wat er van hem werd verwacht als het zou komen tot schieten. Niet iedereen had een geweer zoals het zijne. Alleen híj droeg het scherpschuttersmodel met een verlengde loop en een fijn afgesteld vizier. Hij had het verdiend bij het dertiende bataljon, na een oefenschot op honderd meter dat zijn overste tot stilte bracht. Sindsdien werd hij bij élke gerichte actie op de lijst gezet. Híj zou het eerste schot lossen. Híj, die zijn adem zo kon terugbrengen dat het geweer samenviel met zijn hartslag.

Infanterie van het KNIL op patrouille per kano op Borneo. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 94302)
Het was nog vroeg toen ze vertrokken. De zon hing laag, een doffe bol boven de mistige boomtoppen. De grond was drassig van de nachtregen en de lucht plakkerig van opkomende hitte. Ze liepen in stilte, vijf mannen tussen de varens, de modder en het geritsel. Anton luisterde naar het ritme van hun laarzen, naar het zachte klotsen van water in zijn veldfles.

Brug te Midden-Borneo. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 76495)
Na uren bereikten ze een lichte verhoging. Aan de overzijde lag een open plek tussen de bomen—ongebruikt land, met sporen van kampvuur, een omgevallen mand, wat latwerk, te netjes opgestapeld om toeval te zijn. Er bewoog iets. Twee mannen, jong, in eenvoudige kleding. Een van hen zwaaide met een machete. De ander had een doek in zijn handen. Ze praatten. Ze lachten misschien, het was te ver om te horen. Anton hoorde alleen het kloppen van zijn eigen hartslag.
Hij ging op zijn buik in het gras liggen. Zijn scherpschuttersgeweer rustte stabiel op een bundel bladeren. Het vizier was haarscherp afgesteld. Hij had geleerd dat één ademhaling het verschil kon maken tussen het woord van een meerdere en de stilte van een dode. Met zijn oog strak achter het richtmiddel trok hij de wereld naar zich toe. Hij zag het zweet op het voorhoofd van de man met de machete. De nerven in het hout van de paal waar hij tegen leunde. De sporen van modder op zijn broek.
Achter hem klonk het fluistercommando. “Als-ie zich ook maar verroert: neem ’m.”
Geen verdere uitleg. Alleen het tikken van bloed in zijn oren. Dit was wat Anton was. Wat hij kon. Wat ze van hem verwachtten. Hij verschoof zijn gewicht, traag, alsof de aarde zelf protesteerde. Zijn ellebogen vonden hun plek in het gras. Hij corrigeerde zijn houding. Zijn adem daalde. Eén... twee... stilstand.
Aan de overkant, op de open plek, draaide de man zijn hoofd langzaam. Niet omdat hij iets hoorde, maar omdat zijn instinct het voelde—de manier waarop je ineens weet dat er ogen op je liggen, zonder dat iemand je iets zegt.
Anton kneep één oog dicht. Hij zag de glinstering van zweet op het bruine voorhoofd van de man, de ruwe lijnen van zijn gezicht, de rafelrand van het doek in zijn handen. Het moment rekte zich uit. Zijn vinger raakte de trekker. En bleef even liggen. Eén ademhaling. En toen—een flits.
De knal was scherp, maar werd door zijn oren vervormd—doffer dan normaal, alsof hij onder water zat. Hij voelde het terugslag van het geweer, zijn schouder opvangen, zijn gezicht gespannen tegen het vizier. Modder spatte op tegen zijn wang. De wereld leek te bevriezen, zijn blik versmalde. Alles om hem heen vervaagde—de bladeren, het gras, het geschuifel achter hem. Alleen het doel bleef scherp in beeld, haarscherp, alsof zijn ogen nog even vasthielden wat zijn vingers hadden uitgewist.
Zijn hart bonsde in zijn borst, hard en hoog, als een trom die buiten ritme sloeg. Zijn adem stokte. Zijn mond was droog. Iets in hem voelde als kristal, broos en glanzend, alsof hij heel even niet van vlees was, maar van glas. En toen—beweging. De man klapte achterover. Geen kreet en verweer. Alleen het lichaam, dat als een doek in elkaar zakte.
De andere man bleef een tel staan. Verlamd. De machete gleed uit zijn handen. Zijn ogen wijd, zijn gezicht verstijfd in onbegrip. En toen—zonder schreeuw, zonder richting—namen zijn benen het over. Alsof zijn lijf het bevel gaf dat zijn hoofd nog niet begreep. Hij draaide zich om en rende. Struikelend over wortels, duikend de varens in, alsof het oerinstinct hem weg sleurde van het geluid van de dood.
Anton bleef liggen. Zijn vinger nog op de trekker en zijn oog nog op de kijker. Maar hij zag niets meer. Alleen een lege plek waar zonlicht viel op gevallen bladeren, alsof er niets was gebeurd.
Achter hem kwam de sergeant dichterbij. Eén hand op zijn trillende schouder. “Netjes,” zei hij. Maar het woord bereikte hem niet. Er was alleen de piep in zijn oren—hoog en snijdend, als een schreeuw uit de duisternis. Alles in hem voelde ontwricht. Alsof zijn lichaam nog hier lag, maar zijn geest door een scheur was gegleden die al lang geleden was geopend. Hij ademde alsof zijn longen vol rook zaten. In zijn hoofd bonsde het na. Geen triomf. Geen helderheid. Alleen een rood opgloeien ergens diep vanbinnen.
Op de terugweg werd nauwelijks gesproken. De grond was zompig. Zijn laarzen zogen zich vast bij elke stap, alsof het oerwoud hem niet wilde laten gaan. Iemand kuchte. Een ander mompelde iets over de hitte. Anton zei niets. Zijn geweer hing laag tegen zijn heup, zwaarder dan gewoonlijk, alsof het niet langer alleen van staal was, maar van zwijgende schuld.
Terug in de bivak deed hij wat er van hem verwacht werd. Hij poetste zijn wapen tot het glansde, zoals het hoorde. Zijn vingers gingen over de loop alsof het een gebed betrof—automatisch en ritmisch, alsof hij met elke wrijfbeweging hoopte zichzelf terug te vegen in een vorm die hij nog kende. De geur van olie steeg op, vertrouwd en nu toch misselijkmakend. In zijn hand gleed de doek over het vizier, over de trekker, over de opgedroogde rand modder die nog tegen de loop kleefde—koud, korrelig, als bewijs dat de aarde zelf getuige was geweest. Alles voelde plots vreemd bekend—alsof hij het niet deed, maar aanschouwde. Alsof hij al begon te verdwijnen.
Aan de rand van de barak klonk gelach. Iemand vertelde een mop: “Wat is het verschil tussen een kip zonder kop en een inlander met een machete?” Een stem grinnikte: “Met de kip kun je nog soep maken!” De anderen barstten in lachen uit. Een hand klapte op tafel. Stoelen kraakten. Het leven ging verder, moeiteloos, alsof het doden van een mens niet meer betekende dan het verwijderen van een steen op de weg. Alsof er niets was gebeurd. Alsof die man nooit had bestaan.
Misschien lag hij die nacht wakker. Ogen open. Zijn adem traag onder het klamboegaas, dat meebewoog met de ademhaling van de jungle. Hij dacht niet aan het gezicht van de man. Ook niet aan zijn handen. Misschien dacht hij aan niets—en voelde alles. Alsof er iets diep in hem zonk: een donker punt waar geen licht meer bij kwam. Een afgrond zonder echo.
Misschien was het niet het schot dat hem veranderde, maar wat erop volgde: die seconde waarin de wereld niet terugsloeg. Die kille rust waarin niemand riep, niemand rende, niemand zei: “Stop.” Alsof de aarde zijn daad zonder protest inslikte. Alsof zelfs de hemel zweeg en daarmee—bijna achteloos—zei: “Het is goed zo.” En misschien wist hij toen—of alleen ergens in zijn lijf—dat dit pas het begin was.
“Er komt een tijd dat ieder die u doodt, zal menen daarmee God een dienst te bewijzen.” — Johannes 16:2
Bali, 1906–1908
De ochtend sloop op blote voeten het dorp binnen. Een nevel hing laag tussen de palmen. Het eerste licht viel stil door het bamboe van de wanden. De lucht rook naar pandan, natte aarde en de as van het vuur dat nog nasmeulde onder de rijstpotten.
Ketut zat op zijn hurken in het zand, zijn knieën onder zijn kin, de rand van zijn sarong nat van de dauw. In zijn kleine handen hield hij een bundeltje bloemen. Hij mocht de jasmijn tellen—altijd met zeven, want dat bracht geluk. Hij legde ze voorzichtig in het palmblad dat zijn grootmoeder voor hem openhield. Ze knikte tevreden, haar gezicht diep gegroefd, haar ogen helder als ochtenddauw. “Lembut, Nak,” fluisterde ze zachtjes.
Naast hen lag de tempel nog in halfslaap. Alleen een vogel riep driemaal vanuit de banjanboom. In de verte klonk het vage gerinkel van een gamelan, alsof zelfs de muziek zich nog uitrekte. Ketut luisterde, zijn hoofd scheef, alsof hij iets probeerde te verstaan wat niet voor hem bestemd was.
Ketut was acht. Hij was het vierde kind. Zijn oudere broers, Wayan en Made, waren al op het veld. Zijn zusje Komang hielp moeder met het wassen van de doeken bij de rivier. Ketut mocht blijven om te helpen bij de canang sari—de ochtendoffers. Dat was zijn taak vandaag. En hij deed het graag. De volgorde kende hij uit zijn hoofd: eerst het blad vouwen tot een kommetje. Dan een beetje rijst. Dan de bloemen—met de klok mee.
Bij het horen van de vogels floot zijn grootmoeder zachtjes terug tussen haar tanden. Haar vingers vouwden en staken, haar adem was hoorbaar in het ritme van haar werk. Ketut volgde haar bewegingen als in een dans. Soms fluisterde ze oude woorden. Soms was ze stil.
Tussen twee bewegingen door keek hij omhoog, naar de bladeren die wiegden boven zijn hoofd. Licht viel als dansend stof door het groen. De wind was zacht. Alles leek te luisteren naar iets groters dan zichzelf.
In zijn hoofd telde hij de stappen van hun erf tot het water: drieëndertig. Elke ochtend hetzelfde. Hij kende elke steen. Elke wortel. Zijn vader zei altijd: “Ketut, als je weet waar je voeten staan, weet je ook waar je ziel is.” Dat vond hij mooi, al begreep hij het niet helemaal. Toch herhaalde hij het in zichzelf, als een liedje: teken, tangan, tanah.
Hij lachte toen zijn oma een bloem achter zijn oor stak. Hij stak zijn tong uit. Zij tikte tegen zijn hoofd. Het klonk als een steen in een bel. Ze lachten samen. De geuren van de ochtend—kruidig, vochtig, levend—bleven tussen hen hangen.
Maar de aarde onder zijn voeten zou niet blijven wat ze was. Wat vandaag nog zacht gaf, zou morgen terugduwen. Wat vandaag nog lief had, zou morgen stikken in bloed en as. De modder waarin hij speelde zou doorspekt worden met scherven en tranen. Waar hij vanochtend nog jasmijn had gelegd, zou morgen niets meer liggen dan platgetrapte kleur. En zijn drieëndertig stappen naar de rivier—verdelgd onder de laarzen van de duivel.
Dit was zijn laatste ochtend. Zijn laatste momenten met oma. Zijn laatste bloem, met zeven bloemblaadjes, voor een God die hem niet zou beschermen. Zijn laatste ja-knik en gezicht vol zonlicht. Zijn laatste geur van pandan en wierook. Geen visnet zou hij nog leren knopen. Geen zegen zou over zijn hoofd gestreken worden. De aarde die hem had gedragen zou morgen rood kleuren.
De “expeditie”
Ergens op zee, achter de horizon waar Ketut niet meer kon kijken, lagen de schepen al te wachten. Aan boord zaten mannen van vlees en bloed, maar op papier waren het alleen nummers bij een operatie. Eén van hen was Anton Thümann, sinds 29 mei 1906 bevorderd tot sergeant bij het 13e en 11e bataljon infanterie.
Als sergeant kreeg hij nu 8 à 10 man onder zich. Jongens zoals hijzelf ooit was: Indische knapen zonder schild, Javaanse vrijwilligers, Molukse krijgers, en een enkele Europeaan die strafpunten moest wegpoetsen door met bruine mensen te dienen aan de frontlinie. Tegen hén zei hij nu: “Rij sluiten.” “Niet kijken.” “Wapen veilig.” Hij vertelde jongens wanneer ze hun mond moesten houden en wanneer ze moesten vuren. Hij was eindelijk op het niveau waar zijn vader 23 jaar geleden was blijven steken. Zelfde rang. Ander eiland.
De aanleiding van hun aanwezigheid op Bali was klein en ver weg. In 1904 liep voor de kust een Chinees vaartuig aan de grond. Zoiets gebeurde vaker. Volgens Balinees gewoonterecht mocht de vorst dan bergen wat te bergen viel: tawan karang. Volgens Batavia hoorde er keurig schadevergoeding naar de eigenaar. De vorst van Badung weigerde. “Ons water, ons recht.” Twee jaar later stond dat voorval in Nederlandse stukken samengeperst tot één droge zin: “De bevolking van Badung weigerde schadevergoeding te betalen inzake het gestrande vaartuig. Derhalve: tuchtiging gerechtvaardigd.” Genoeg om het eiland wakker te schudden.
Bij zonsopkomst landden de boten aan het strand. Eerst de rijen roeienden, daarna de stormladders—alsof ze een vesting zouden nemen. In werkelijkheid zakten ze tot hun enkels weg in het warme zand. De wind rook naar zout en wier, en achter de palmen stond Bali nog gewoon op. Vogels zongen. Vrouwen hingen de was op. Een paar kinderen wezen naar de schepen en giechelden omdat mannen in laarzen er zó onhandig uitzagen in de branding.

KNIL-militairen komen aan land bij Sanoer (1906). Bron: Leiden University Libraries (KITLV 10056)
Voor Anton voelde het meteen anders dan Borneo. Geen donkere rimboe die elk geluid opat, geen bloedzuigers aan je kousen, geen mannen die je met een blaasroer kon raken uit de schaduw. Hier was alles open en schoon. Het licht was helder, de lucht zoet. Het leek meer op een ochtendwandeling dan op een expeditie.
Een korporaal naast hem fluisterde: “Dit is geen oorlog. Dit is een parade.”
En tóch hadden ze volle uitrusting: geweren met bajonet, patroonbanden, stormladders, zelfs een kleine artilleriestuk op strandwielen dat piepte in het zand. Want je moest altijd laten zien dat je meer meegebracht had dan het dorp ooit bij elkaar zou krijgen.

Batterij houwitsers van 12 cm. te Sanoer (1906). Bron: Leiden University Libraries (KITLV 10061)
Vanuit het strand trokken ze het binnenland in. De Nederlanders noemden het “presentie”. In de praktijk: elke dag gewapend door een ander dorp lopen zodat iedereen wist wie er nu de baas was.

KNIL-militairen doorwaden een rivier nabij Krambitan ten zuidwesten van Tabanan (1906).

KNIL-militairen op weg naar Denpasar (1906). Bronnen: Leiden University Libraries (KITLV 10091 & 10103)
’s Ochtends was dat bijna huiselijk. Ze passeerden erfjes waar rijst stond uit te dampen, waar een vrouw met een kokosborstel de vloer nat veegde. En toen zagen ze háár. Ze stond half in de schaduw van het afdak, heupen strak in een kamben, bovenlijf onbedekt, huid glanzend van olie, haar met een enkele beweging naar achteren geveegd. Niet uitdagend. Niet verlegen. Gewoon: zo liep je hier. Dit was tropenlogica, geen Europese kuisheid.
Voor de meeste mannen uit het detachement was dat geen “gewoon”. Ze kwamen uit kazernewerelden van knoopjes, kragen en korsetten. Hun ogen bleven net een fractie te lang hangen. Eerst één. Dan twee. Dan dat halve grinniken. De halve grap onder elkaar. “Je zou d’r zo…” met een handgebaar dat geen vertaling nodig had.
Anton zag het meteen. Dat kijken. Dat fluisteren. Hij kende dit van Gombong, van Borneo: een groep jonge mannen met macht in een dorp waar niemand in het Nederlands “nee” kan roepen, dat is geen goede combinatie.
“Ogen voorwaarts,” zei hij. Commandotoon.
“Maar sergeant, ze—”
“Voorwaarts.”
De rij verschoof zijn blik terug naar het pad. De vrouw bleef staan zoals ze stond, maar haar ogen werden harder. Niet bang; eerder gekrenkt. Alsof iemand met modderschoenen haar tempel was binnengelopen.

Dorpelingen op Bali. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 1401787)
Daarna ging het patrouillewerk gewoon door. Soms moest er geteld worden. De luitenant liet de dorpsoudste roepen. Die kwam in sarong, hoofd gebogen, vaak met een jonge man die kon tolken. Dan werd er gevraagd naar rijst, naar mannen, naar boten. “Er waren er meer,” zei de luitenant dan. “Gisteren zijn er meer gezien.” En dan werd er gekeken: naar schuren, naar boten, naar mannen die nét de verkeerde kant opliepen. Dat was “ongehoorzaamheid breken”.
Ze deden kleine invallen. Niet altijd wild. Soms alleen: drie man naar links, huis doorzoeken, kijken of er krissen hingen die te rijk waren voor een visser. De meeste mannen gaven hun wapen af. Maar er was er altijd één die dat niet deed. Een oudere, vaak. Iemand die zei: “Dit was van mijn vader.” Dan veranderde de toon. Dan was Anton degene die met sergeantsstem zei: “Afgeven.” Niet schreeuwend, maar ook niet vragend. Als het dan nóg niet gebeurde, ging de bajonet van veilig naar scherp. Je hoefde hem niet eens te gebruiken; het metaal zei genoeg.
En er waren de kleine onrechten die in geen enkel rapport komen. Een soldaat die een tros bananen meeneemt “omdat we hier toch voor jullie veiligheid staan”. Een inlandse jongen die net te laat opzij springt en een klap krijgt. Een vrouw die haar erf niet snel genoeg vrijmaakt en door twee man aan de kant wordt geduwd, te hard voor iemand die net water draagt. Een varken dat wordt “gevorderd” en waar ’s avonds gewoon soep van wordt gekookt.
’s Middags oefenden ze soms gewoon op een open veld. Geweerdrill voor de ogen van boeren die hun buffel met een touwtje leidden. “Aanleggen… richten… vuur!” De bedoeling was dat men zag dat dit leger nooit sliep. Dat er altijd ergens een groep was die binnen een minuut een salvo kon lossen.
’s Avonds, in het kamp, werd het onrustig stil. Geen jungle die ’s nachts alles overnam. Alleen krekels, een verre gamelan, af en toe een hond. De mannen lagen in hun hangmatten onder klamboe. Iemand gooide een kaart. Iemand vertelde wat hij had gezien: “Die ene vent wilde z’n kris niet afgeven. Dacht dat-ie nog in de Majapahit-tijd leefde.” Gelach. Slordig, kort. Daarna toch weer stilte.
Als Anton dan wakker lag, hoorde hij de zee. Hij rook de zilte lucht. En hij voelde dat het eiland nog niet gebroken was. Dat het alleen maar was opgeschrikt. Alsof Bali zelf dacht: Als dit alles is, dan kunnen we het dragen.
Maar Anton had al te vaak gezien wat er volgde op dit soort dagen. Eerst de parade. Dan de weigering. Dan het bevel. Dan het schieten.
Het eiland leek te wachten.

Opgeschrikte Balinezen (1906). Bron: Leiden University Libraries (KITLV 10064)
De puputan (Badung, 1906)
Die ochtend hing er iets in de lucht dat niet bij de warmte hoorde. De zon was hetzelfde, de palmen waren hetzelfde, maar de geluiden uit de stad waren anders: trommen, belletjes, gejaagde stemmen achter muren. De verkenners hadden al gemeld dat er rook uit de puri kwam. Geen paniekrook. Rituele rook.
De colonne zette zich in beweging alsof het een oefenmars was. Rijen recht, helmen goed, wapens op dezelfde hoogte. Ze marcheerden Denpasar in “alsof in een dress parade”, zou iemand later schrijven.
Aan de rand van de stad zagen ze de eerste sporen: verlaten erven, deuren open, een offermandje nog dampend op de stoep. In Kesiman had men zich al van zijn vorst ontdaan; het paleis stond half in brand. Niemand die stenen gooide. Niemand die vluchtte. Alleen leegte, en dan verderop dat ritme van trommen dat maar niet ophield.
Voor de puri van Denpasar hield de colonne halt. De kapitein gaf de handgebaren door. Veilig. Wachten. De loop op de grond. Je kon de rook uit de puri ruiken—wierook, verbrand hout, ghee. Er klonk een wild slaan op de trommen van binnenuit.
Toen ging de poort open.
Er kwam geen vijand naar buiten. Er kwam een stoet.
Voorop de radja in wit, op een draagstoel, gedragen door vier mannen. Wit als voor de crematie. Sieraden, goud, kris in de hand. Achter hem zijn familie: vrouwen met ingeolied haar, kinderen, priesters, bedienden. Iedereen in wit. Iedereen al gezalfd. Ze liepen langzaam, waardig, alsof ze dit al dagen wisten.
Sommige vrouwen gooiden sieraden en munten voor de voeten van de Nederlandse soldaten. Niet als geschenk. Als spot. Alsof ze wilden zeggen: jullie kunnen dit nemen, maar niet óns.
“Halt!” riep de kapitein. Maar niemand haltte.
Ze kwamen tot op honderd passen. De radja stapte van de draagstoel. Hij maakte een klein gebaar. De priester voor hem stak de kris in zijn borst. Zo hoorde het. De rest van de stoet bewoog gewoon dóór, als water over een steen.
Er was een schot. Niemand wist van wie. Misschien uit de stoet, misschien uit een te zenuwachtig geweer van achter. Het maakte eigenlijk niet uit. Een fractie van een seconde later werd er aan Nederlandse kant teruggeschoten. Eerst een paar. Daarna, zodra één luitenant “Vuur!” riep, het volle salvo.
Wit klapte neer. Lichamen vielen over elkaar, sieraden rolden, kinderen raakten los uit armen. Nog meer mensen kwamen uit de poort, in wit, met bloemen, met kris, met helemaal niets. De monden van artillerie gingen open. De monden van geweren spuwden. De monden van de Balinezen zeiden geen woord meer.
Anton stond rechts in de lijn. Hij zag hoe een vrouw met een baby aan de borst werd geraakt zonder te schreeuwen. Hij zag hoe een man eerst zelf instak en pas daarna neerging door een kogel. Hij zag hoe het wit in seconden rood werd.
En hij zag een jongen.
Klein. Ongeveer acht. Sarong nat van de dauw van die ochtend. In zijn hand nog een paar bloemen, slordig opgerapen, stokjes wierook ertussen. Hij keek niet naar de geweren. Hij keek omhoog, alsof hij zijn oma zocht. Een lichaam van voren viel half over hem heen. De bloemen schoten weg. De jongen viel mee.
De rook bleef laag hangen. Aan de zijkant bukte een soldaat zich al naar iets dat glom—reflex, niet beleid. “Hé, laat dat,” beet een onderofficier hem toe. Ze hadden zoiets nog nooit gezien. Het stond niet in het oefeningenboek.
Anton keek naar het plein. Naar wit dat rood werd. Naar bloemen die platgetrapt waren. Naar de draagstoel van de radja, omgevallen, de radja zelf half eronder, hand nog om de kris. Hij voelde zijn armen tintelen. Niet van triomf. Van iets dat op walging leek.
In Batavia en later in de kranten in Nederland klonk het anders. Daar heette het dat “de onwillige raja’s van Badung eindelijk tot rede waren gebracht” en dat “de Nederlandse vlag nu onbetwist over Zuid-Bali wapperde.” Er werden cijfers genoemd: zoveel doden, zo weinig verliezen aan onze kant. Er werd zelfs gesproken van “een indrukwekkende uiting van trouw en moed der troepen.”
Maar cijfers vertellen niet dat tussen de doden óók kinderen lagen. Ze vertellen niet hoe snel het plein kleurde. En ze vertellen niet dat zelfs de luidsten heel even niets zeiden.
Op Bali zelf kreeg 20 september 1906 een andere naam: puputan—het eindigen, het tot het uiterste gaan. Niet een “tuchtiging”, maar een vrijwillige afdaling in de dood om niet vernederd te hoeven leven onder die vervloekte driekleur. Die versie werd niet gedrukt in de krantenkoppen. Nee. Die kant van het verhaal werd alleen doorgefluisterd. Van hof naar dorp. Van grootmoeder naar kleinkind.

KNIL-militairen met stormladders bij de poeri van Denpasar (1906).

KNIL-soldaten kijken toe naar de slachtoffers van de Balinese zelfmoordstrijd (20 september 1906). Bronnen: Leiden University Libraries (KITLV 10084 & 10092)
De laatste puputan (Klungkung, 1908)
Men dacht dat Bali in 1906 wel “gepacificeerd” was. Denpasar in vlammen, de puri van Pemecutan geplunderd, de vorst van Tabanan dood in de gevangenis. Maar vrede die met kanonnen is gebracht, blijft altijd een beetje hol: je hoeft er maar een belasting, een monopolie of een nieuwe vernedering in te duwen en het scheurt weer open.
In 1908 zat Anton weer op Bali vanwege de opiumkwestie. Geen gestrande djoenk dit keer, maar iets nog botters: Batavia wilde het opium onder zich houden, en een deel van Bali weigerde daar zwijgend rijk van te laten worden. In Gelgel werd een Javanese opiumhandelaar gedood. Er werden rellen gemeld. Rapporten spraken van “onlusten”. En wie “onlusten” zegt in een kolonie, zegt daarna bijna automatisch: troepen.
Ze trokken eerst naar Gelgel. Daar werd hard ingegrepen, haastig, om de voorbeeldfunctie. Honderd Balinezen vielen, schreven de rapporten. Daarna vluchtte de raja naar Klungkung. En toen werd het patroon van 1906 nog eens uitgespeeld, maar kleiner, feller, met minder mensen—en daardoor juist intiemer.
Klungkung had altijd iets onaantastbaars gehad. De Dewa Agung zat daar niet alleen als vorst, maar ook als drager van een oude, bijna mythische autoriteit. Er ging een verhaal dat zijn kris ooit eens de vijand zelf zou treffen, zonder dat hij hoefde te slaan. Zulke verhalen houden een volk lang rechtop.

Afdalend van Selat naar Kloengkoeng. Leiden University Libraries (KITLV 30039)
Op 18 april 1908 kwam de confrontatie. Het Nederlandse vuur had de stad al geraakt; er was gebombardeerd. De muren droegen kruit, niet bloemen. Toch kwam er weer een stoet naar buiten. Wéér wit. Wéér sieraden. Wéér vrouwen en vrouwen achter hém. De Dewa Agung liep voorop, kris in de hand—het mes waarvan gezegd werd dat het de vijand zou breken.
Maar het mes brak niets. Het staal van de overkant was sterker.
Er was geen grote parade zoals in Denpasar. Geen honderden tegelijk. Eerder een wanhopige, waardige uitval van ongeveer tweehonderd volgelingen die wisten dat het eindig was. De koning werd geraakt door een Nederlandse kogel, niet door zijn eigen voorspelling. Zijn vrouwen maakten het gebaar dat op Bali al generaties lang het woord niet meer nodig maakt. Anderen volgden. Niet omdat ze dachten dat ze zouden winnen, maar omdat ze niet wilden achterblijven in een wereld die zó ingelijfd was.
Anton stond dit keer verder naar achter. Als sergeant hield hij de linie op orde, telde hij, riep hij door wat van voren kwam. Het was bijna routine geworden: aankomst, bevel, salvo, opruimen. Juist dát gaf hem dat steekje in zijn borst. 1906 kon hij nog zien als eenmalig. 1908 bewees dat het een methode was.
Hij herkende alles: de geur van wierook die het buskruit niet helemaal kon verdringen, de manier waarop vrouwen hun haren hadden ingeolied alsof het feest was, het zachte vallen van lichamen die in hun wit niet ontworpen waren voor modder. En hij herkende óók wat er daarna gebeurde: dat er wéér Nederlandse handen waren die over de dode mannen-, vrouwen-, en kinderlijkjes gleden om sieraden weg te nemen, omdat dat “gebruikelijk” was.
Het moet hem hebben geklaagd: we hadden niets geleerd van Denpasar.
“Hoe kun je hem de schuld geven,” zou ik nu willen schrijven, “van iets wat hem vanaf zijn achtste is ingehamerd?” Van de school in Gombong tot de depotrekening in Borneo had Nederland hem verteld dat zijn moeder heidense gebruiken had, dat dienen voor de driekleur het hoogste was, dat ongehoorzaamheid hard moest worden gestraft. In 1906 voerde hij dat uit. In 1908 wéér.
Toch had hij in 1904 zijn handtekening zélf gezet. Hoeveel lot zit er nog in een leven zodra je begint mee te stemmen met de macht die je gemaakt heeft?
Maar tussen die twee data zit iets nieuws: gêne.
Na Klungkung werd ook dáár geschreven dat de operatie “naar wens” verliep. Dat het opiumvraagstuk “tot een einde” was gebracht. Maar wat er feitelijk was gebeurd, leek pijnlijk veel op wat twee jaar eerder in Denpasar was gebeurd: een kleine stoet, in wit, die zichzelf liever weggaf dan zich liet vernederen.
Meer dan een eeuw later, in september 2025, stond ik, Antons achterkleinzoon, voor het monument in Denpasar. Brons en steen, namen die niet de mijne waren, en toch voelde het vreemd intiem. Hun doden zijn opgetekend; de zijne niet. Hun namen staan in het plein; zijn naam staat alleen in mijn hoofd. Alsof één familiegeschiedenis aan twee kanten van hetzelfde schot heeft gestaan.
Misschien is dit waarom ik het opschrijf: zodat de stoet in wit en de sergeant in kakhi niet langer apart bestaan. Zodat wat in 1906 en 1908 als “operatie naar wens” werd genoteerd, naast het gewelfde linnen en de krissen komt te liggen. Zodat ik kan erkennen dat ik geen schuld draag, maar wel erfgenaam ben. En dat er tussen wierook en buskruit ruimte is voor één verhaal.
“Zelfs in de zomen van uw klederen is het bloed van onschuldigen gevonden...” — Jeremia 2:34
Molukken, 1910-1913
De zee naar de Molukken is geen rechte streep maar een waaier van eilanden. Anton stond aan de reling en voelde de vochtige oostwind. Hij was 28. Ongeveer zo oud als zijn vader was toen die in 1882 stierf. Zijn eerste twaalf KNIL-jaren zaten erop. Hij had kunnen weggaan. Maar op 7 oktober 1910, in Gombong—dezelfde plek waar hij als jongen was binnengeleid—zette hij nog eens zijn naam. Vier jaar erbij. Premie: f 200. Voor iemand zonder familie was dat veel. En misschien nog belangrijker: hier hoorde hij tenminste ergens bij.

Stamboek extract betreffende de volledige 24-jarige militaire loopbaan van Anton Herman Gerard Hendrik Thümann. Bron: Nationaal Archief Den Haag (NL-HaNA_2.10.50.02_439_0085)
Op zijn papieren stond: “gereëngageerd bij de koloniale troepen, zoowel in als buiten Europa… bestemd voor het garnizoensbataljon van Amboina en Ternate.” Java kende hij. Borneo kende hij. Bali kende hij—té goed. De Molukken waren nieuw: kruideneilanden, christelijke dorpen, koppensnellers, en sago.
Ambon was kleiner dan hij dacht. Een paar barakken op palen, een commandantswoning, een kerkje, een loods voor munitie. Daarachter begon meteen het groen. ’s Avonds, als de zon achter het eiland zakte, hoorden ze overal psalmen in Ambonees Maleis. Vissersboten tikten tegen elkaar, iemand sloeg kruidnagel te drogen. Het rook niet naar rijst en wierook zoals op Bali, maar naar zout, rook en kruid. Dit was geen hofeiland. Dit was randzee. Met aan de overkant van de baai: Ceram—ofwel Nusa Ina, het moedereiland der Molukkers.
In het begin deden ze wat elk detachement deed: wacht lopen, wegen aanleggen, patrouille naar een dorp dat traag belasting afdroeg, bemiddelen bij een ruzie over een kokosperceel.
In de maandrapporten van 1911 staat ergens terloops dat er “opnieuw gevallen van cholera” waren “onder inlanders, waarvan er enkele zijn bezweken.” In de papieren is dat een voetnoot; in de kampongs waren het stoombaden van angst en kinderstemmen die ineens verdwenen. De ziekte liep onder de dorpen door als een geruis waar geen commando tegen bestond.
Gewapende Politie, Amahai
Na een jaar op de Molukken veranderde zijn rol. Op 18 oktober 1911 werd hij overgeplaatst naar het Korps Gewapende Politiedienaren in Amahai. Geen front—ordehandhaving. In de praktijk werd hij de man die Molukse jongens moest leren schieten. Voor Anton was het dichter op de mensen dan hij ooit had gestaan.

Controleurswoning te Amahai op Ceram. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 17166)
Zijn taak was helder: jonge mannen—Ambonezen, Menadonezen, en Indische mengelingen—leren marcheren, schieten, en bevelen opvolgen. Hen het Nederlandse ritme in het lijf drukken zodat zij het later konden gebruiken tegen hun eigen dorpsgenoten als die lastig werden.
Elke ochtend stond hij weer op de natte rode aarde van het exercitieterrein. De zon was nog niet eens fel en tóch liep het zweet al langs zijn rug. Voor hem een rij mannen op blote voeten, doeken om de heup, sommigen met een zelfgesneden kruisje om. Hun geweren glansden niet zoals op Java; dit waren gebruikte wapens, soms te oud. Ze hielden ze onwennig vast, een beetje van zich af, alsof ze wisten hoe snel zo’n ding de verkeerde kant op kon gaan.
“Geweer… aan!” riep Anton.
Hun stemmen antwoordden niet. Alleen het metaal dat tegen hout tikte. Eén man in het midden—donkere huid, litteken langs de kaak—keek hem nét iets te lang aan. Niet uitdagend. Vragend. Alsof hij wilde zeggen: Morgen, als er onrust is in mijn kampong, wilt u dan dat ik op míjn familie schiet?
Anton kende die blik. Het was dezelfde blik die hij zelf ooit had gehad toen een sergeant hem in Gombong catechismus bijbracht: dien God, koning en vlag. Hij hoorde zichzelf nu in hun taal praten—gebroken Maleis met Indische klank: “Kalau ada perintah, harus ikut. Tak boleh pikir.”
’s Middags zochten ze schaduw onder het golfplaten afdak. Dezelfde man met het litteken op zijn kaak zat nu tegenover hem met een wapen dat hij duidelijk nog niet vertrouwde. Dan poetste Anton met hen de wapens. Zijn handen deden wat ze al twintig jaar deden: vizier schoon, loop oliën, trekker droog. Hij zag aan hun vingers dat ze vissers, tuinders, sago-tappers waren—geen soldaten. Hij leerde hen tóch de greep, de pas, de houding. En terwijl hij hun handen corrigeerde, herkende hij hun gehoorzaamheid. Het was dezelfde gehoorzaamheid die hém als achtjarige in Gombong had rechtgetrokken—en nu trok híj hén recht.
Lossa, 1912
Toch bleef het niet bij exercitie op de rode aarde. Zijn naam verschijnt één keer in de kolommen van de Preanger-bode en het Bataviaasch Nieuwsblad: “Rapport van de patrouille van den europeeschen sergeant instructeur Thumann.”
Een waarnemend civiel gezaghebber had in juni 1912 geprobeerd om een tiental verdachten te arresteren van een moord in Hatoemeten. De hoofdverdachte: Moenika Ilela uit kampong Lossa, aan de Teloetibaai in Zuid-Ceram. De mannen ontkwamen. De bevolking nam een vijandige houding aan.
Anton kreeg een patrouille gewapende politiedienaren mee om de overige verdachten alsnog in handen te krijgen. Nog vóór de zon boven de zee opkwam, vertrokken ze uit Amahai: een rij mannen met ransels, geweren en zwarte laarzen.
Voor hen lag geen weg maar een richting. Eerst de kust, dan het binnenland: kreken tot aan de dijen, wortels die als stokken uit de bodem staken, bloedzuigers die je pas merkte wanneer ze warm werden aan je huid. Machetes tikten tegen stam, lonten werden in de schaarse zon gedroogd, rijst klonterde in de hand. ’s Middags kwam de korte, felle regen; ’s nachts brandden ze nat hout om warm te blijven. Een man kuchte, een ander schuurde zijn hiel stuk; iemand zei niets meer vanaf de tweede nacht. Het geluid van de golven verdween steeds verder op de achtergrond—minder zee, meer woud—en de stemmen van de mannen zakten een toon omlaag.
Híj liep vooraan, telde hun passen in zijn hoofd zoals op het exercitieterrein, maar hier klonk geen commando terug—alleen het geritsel van het dichte woud, en ergens verderop een vogel die te vroeg opschrok.

Alfoers dorp in het hooggebergte van Ceram. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 2949)
Aan de rand van Lossa doemde eindelijk de bamboeomheining op. Anton zag rook onder lage bladerdaken, rode vegen van pinang langs de planken. Een tifa sloeg één keer en zweeg. Twee mannen kwamen naar voren met schilden van rotan; achter hen stonden jongens met bogen half omhoog, pijlen nog in de hand, vrouwen keken tussen palen door. In de verhalen van de kazerne heetten ze Alfoeren, koppensnellers, heidenen; in het echt waren het mensen die hun oude leefgewoonten niet wilden opgeven om de wil van de blanke.

Alfoerse hoofden op Ceram. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 4879)
De kepala soa—Tokeh—stapte naar het open stuk. Oud litteken, rustige ogen. Anton deed een teken; de tolk ging staan. “Kepala soa,” zei Anton traag, “kami minta Moenika Ilela itu keluar.” Tokeh luisterde, keek even over Antons schouder het bos in waar het pad verdween. “Ini urusan kami,” antwoordde hij zacht. “Orang tidak keluar.” Iemand achter de palissade kuchte, schor. Kinderen werden naar binnen geroepen. Een boog werd strakker getrokken.
Anton voelde hoe ver hij van de kazerne was, hoe de macht van het gouvernement ophield waar het pad het groen in ging. Hij herhaalde de sommatie, formeler nu. De kepala soa stapte één pas naar voren, plantte zijn lans in de grond. Hij veegde pinangrood van zijn lip en liet het vlak tussen hen vallen. “Ini tanah adat. Ini urusan kami. Orang tidak keluar.” Achter hem schoof iemand de bamboepoort dicht; het touw werd gespannen met een knoop die meer zei dan een redevoering. Jongens tilden hun bogen een vinger hoger. Een pijl tikte in het zand voor Antons laars. Dat was het antwoord.
De krant schrijft droog dat Antons eerste patrouille: “geen succes had door de besliste weigering van de kepala Soa Tokeh te Lossa om genoemde personen uit te leveren.”
Op papier was dat alles. In het veld betekende het: terugtrekken tot voorbij het zicht van de palissade, tellen hoeveel pijlen op de grond lagen, water delen uit een blikken veldfles en in korte zinnen rapport maken. Hij liet een ordonnans teruggaan naar Amahai met het bericht van weigering en de vraag om aanwijzingen. Waarschijnlijk is het datzelfde bericht dat hogerop “handelend optreden” deed besluiten: de assistent-resident en het detachement van Wahai zouden aansluiten en uitwijking van de Lossa-Alfoeren naar omliggende negorijen tegengaan.
De dagen erna werden langer. De patrouilles werden groter.
Ze trokken via Hatoe en Fohatan—namen die op de kaart klein ogen en in het woud oneindig kunnen zijn. Soms kwamen ze in een kampong waar alleen rook nog iets zei; vrouwen en kinderen waren al de heuvels in. In de lege huizen troffen ze omgestoten kruiken en achtergelaten pijlpunten op een kleedje.
Bij oud-Lossa kwam het eerste antwoord. Het begon niet met een salvo maar met een zoem—de toon van een pijl die je pas hoort als hij al voorbij is. “Dekking!” riep iemand. Een pijl sloeg in een stam, nog een stak rammelend in een kist. Aan de overkant bewoog niks en toch leefde alles. De civiel gezaghebber beval kalmte. “Niet schieten zonder bevel.” Twee “hoogst noodige” schoten volgden, de echo bleef even hangen tussen de bergkammen, daarna weer de stilte van een woud dat doet alsof het doof is.
Verder. De rij werd langer: het Wahai-detachement voorop, het Amahai-detachement—Antons mannen—erachter om te dekken, of andersom; de rapporten noemen geen namen meer, alleen richting. Via Hatoe opnieuw, naar Kolopoetih, “goed versterkt” staat er in de kolommen. In het zand tekenden ze de palissade met een stok. “Sommatie,” zei de gezaghebber. Drie keer. Vrouwen en kinderen waren al weg. Wat bleef, was de gespannen adem van mannen achter bamboe.
De aanval kwam niet met een schot maar als een golf: lansen en parangs, ongeveer veertig mannen, schaduwen die uit het groen vielen. Een lans tikte tegen een kolf—dat droge geluid vergeet hij nooit—een ander gleed schuin langs een mouw en liet pas een meter verder een snede zien in iemands huid. “Rustig,” riep Anton, meer naar zijn eigen borst dan naar zijn rij. “Richten. Kort.” Het antwoord waren weer die paar schoten die volgens de krant “het noodige” waren. Iemand viel in het gras—later noemde een van de hoofden een naam: kapitan Salipi Luhihata. En toen, zoals dat gaat als één kant hoort dat de ander kruit heeft en jij niet: terugtrekken en verdwijnen.
Kolopoetih werd na de sommatie genomen. Geen gejuich. Alleen het doorknippen van rotanbanden, het omduwen van een deur met een stormram, de lucht van oud vuur. “Buitgemaakt: groote hoeveelheden pijlen, werplansen, bogen en parangs,” noteerden ze. “De vijand was niet in het bezit van vuurwapenen.” Het staat er alsof het geruststelt. Voor hem klonk het als een bekentenis: ongelijk gevecht.
Vijf doden aan hun kant, nul aan de onze. Cijfers die op de drukpers licht lijken, maar die je in het veld naar huis draagt in je geweten. In de dagen erna werd “voeling krijgen met de bevolking” opnieuw geprobeerd; soms kwam er een hoofd, soms een schaduw, soms alleen een echo. En ergens tussen Japoetih en Fohatan—dat stuk waar de rivier breder lijkt dan op de kaart—begreep hij hoe ver hij van Bali was en toch hoe dicht bij hetzelfde verhaal: mannen die hun grond niet willen opgeven, mannen die hadden geleerd hen daarop te zetten.
Aan het einde, in augustus, meldde de resident: “het gewapend verzet op Ceram is totaal verbroken.” Het detachement militairen en de gewapende politie keerden terug—respectievelijk naar Wahai en naar Amahai. Anton ook. In zijn zak knisperde een papier met woorden als “weigering”, “sommatie”, “rust hersteld”. Hij deelde de laatste slok uit de veldfles. Zijn plicht was gedaan.

De krantenkop “Buiten de grenzen der beschaving”, met daarin een rapport van de patrouille gecommandeerd door den europeeschen sergeant instructeur Thumann. Bron: De Preanger-bode van 16 oktober 1912
Verboden liefde
De dorpjes op Ceram waren klein. Te klein voor heimelijkheden. Wie langs de loods liep, wist wie er lesgaf. Wie bij de steiger stond, wist wie er aan land kwam. En wie een meisje zag praten met de Europese sergeant, onthield dat. Het archief zwijgt over hun eerste gesprek; wat volgt is een voorzichtige reconstructie—precies genoeg om adem te voelen tussen de regels, maar niet meer dan dat.
Vaak hoorde je haar al vóór je haar zag. Josina Akolo, zestien, dochter van Frans Akolo en Penina Ruspana uit Kairatu. Christelijk. Strak in haar sarong met een ritselende bamboemand tegen de heup. Ze wist precies wie Anton was: de sergeant van de Gewapende Politie, de man van het gouvernement. De man van de kant die—in ieder geval op papier—altijd wint. Misschien zat hij op de veranda zijn laarzen te drogen; zij liep glimlachend voorbij.
Het had daarbij kunnen blijven. Zo hoort het in een kolonie: hij Europees, zij inlands. Groet. Klaar. Maar ze kwam vaker. Soms stopte ze net buiten het houten stoepje. Hij zat zijn knopen te wrijven tot ze spiegelden; zij keek. Niet brutaal, wél bewust. Dit was de man voor wie mannen hier recht gingen staan—en zij bleef staan.
Haar risico was het grootst. Een zestienjarige “inlandsche christenvrouw”, ongehuwd zwanger worden van een Europese sergeant? Dat is geen kleine dorpsovertreding. Dat is een schande voor de kerkenraad, voor de dorpsoudsten, een zaak die de resident kan bereiken als het uitkomt. Zeker als die militair de moraal juist had moeten bewaken. Dus werd er gefluisterd in het dorp.
Frans Akolo heeft hem misschien op straat gezien. Later, binnen—zo stel ik me dat voor—zei hij tegen Josina: “Bapa seng suka. Dia itu serdadu.” Maar er was al iets verschoven; de stilte werd zwaarder.
Vervolgens slaat Antons stamboek een bladzijde over: 21 september 1912 ontheven als instructeur te Amahai; 9 november 1912 “van voor memorie terug”—daartussen niets dan stilte. Maar stilte is ook een ruimte. In die weken voer hij niet uit, marcheerde niet; hij wachtte. En ergens tussen springtij-nachten bij Kairatu en ochtenden waarop de regen tegen zink tikte, besloten ze wat het archief niet opschreef. Reken terug vanaf de eerste kreet in juli 1913, en je komt uit in oktober 1912. Precies tussen die bladzijden.
Of zijn ontheffing uit Amahai werd ingegeven door klachten over zijn omgang met Josina, zegt geen enkel dossier. De kalender knikt; de stukken zwijgen.
Zaterdag 19 juli 1913 baarde Josina in Kairatu hun eerste zoon: Ferdinand Theodoor Thümann, of gewoon Ferry. Waarschijnlijk niet meer onder haar eigen dak. Waarschijnlijk niet meer met alle handen van haar familie erbij. Ze had de prijs betaald. In onze familie bleef later één zin hangen: “Ze was verstoten.”
Eén maand later—30 augustus 1913—duikt Anton in de registers op in Soerabaja, “overgegaan bij het subs. kader”. Na bijna 3 jaar op de Molukken, was hij terug op Java. Josina? Zij ging met hem mee. Niet als romanheldin met een koffer en een droom, maar als jonge, afhankelijke moeder met een kind, in de schaduw van de man met het uniform. Op papier heette het “toelage” en “mee te voeren personen”. In het echt heette het: blijven. Het meest ongehoorzame aan Anton was hier zijn trouw aan Josina.
“Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste.” — Ezechiël 36:26
Kies dan het leven
Na ruim twee jaar “tijdelijk ongeschikt” te zijn “voor den dienst te velde”, liep Anton op 14 oktober 1916 het leger uit. Het was geen straf of schandaal. Een handtekening onder “eervol ontslagen”. Hij had Josina en Ferry al aan zijn zijde. Het geweer ging weg; de zorg bleef. Hij deed wat zóveel oud-KNIL’ers deden: hij ging de cultures in. Eerst bij suikerfabriek Menang bij Kediri. Later Soemberdadi te Kras. Tussendoor een kalkbranderij. Vanaf dat moment was hij geen sergeant meer die dorpen moest ontmantelen, maar een man die elke maand genoeg moest verdienen om een vrouw en een rij kinderen te onderhouden.

Interieur van een Europese woning op de Suikerfabriek Menang ten oosten van Kediri. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 123431)
Suiker was ook een kolonie, maar anders opgebouwd. De Europese of Indo-opzichter. Javaanse veldploegen. Madoerezen voor het zwaardere seizoenswerk. Een Chinees bij de boeken. Iedereen had er een reden om te zijn. Het was minder luid dan het leger, maar niet minder streng. Geen vlag, maar winst. ’s Ochtends controleerde hij pompen en ketels: genoeg water, stoomdruk in orde, geen lekkende leiding. Daarna de rietwagens—ossen, hoofddoeken, riet nog nat van de nacht. Als een pers vastliep, hoorde hij het meteen. Hij kende machines zoals hij geweren kende: eerst kijken, dan pas spreken.

Snijtuin van een suikerfabriek bij Kediri. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 7742)
Intussen groeide zijn gezin. Op zaterdag 5 september 1914, in Malang, werd hun tweede zoon geboren: Guus. Op woensdag 7 april 1915 werden hij en zijn oudere broer samen gedoopt in Menang bij Kediri. In 1916, in Kediri, kwam de derde: Charles—geboren op dinsdag 4 juli, te Goeroh.
Nog één keer trokken ze terug naar de Molukken. Op woensdag 17 april 1918 werd in Kairatu hun zoon Ruud geboren. Of Josina terugkeerde om familiebanden te herstellen—haar ouders overleden in 1913 en 1916—valt niet met zekerheid te zeggen. Het ligt voor de hand; meer durf ik er niet van te maken.
Daarna werd Java weer de as. In Ngawi kwam op dinsdag 1 april 1919 Jan. En op een klamme zondagavond, 2 januari 1921, volgde Freddy.
Thuis was Anton niet meer de sergeant, maar je hoorde het leger nog wel. “Niet slordig lopen.” “Sandalen aan.” “Eerst groeten.” Dat was geen wreedheid. Dat was zijn taal van zorg. Hij had geleerd: wat je liefhebt, orden je. Het KNIL had gehoorzaamheid in hem geduwd als overlevingsmiddel; hij gaf het door als beschermingsmiddel.
In 1922 kregen ze hun enige dochter: Charlotte—geboren op zondag 22 januari. Een meisje tussen al die jongens. Even werd het huis hoger—een andere lach, een andere stem, kleine handjes die aan Josina’s haren trokken. Ze leek op haar moeder. In 1923 volgde Eduard, op dinsdag 9 oktober. In 1924 kwam Adolf, op zondag 3 augustus. In datzelfde jaar verdween Charlotte. Geen krant, geen legerdossier; alleen een klein lichaam, gewassen met koel water, in doeken, gedragen door haar vader zelf. Anton had mannen zien sterven. Maar niets woog zo vreemd licht als dit kleine meisje van hemzelf. Misschien dacht hij: zo voelt het dus van de andere kant.
Misschien was dat ook het moment dat hij besloot het eindelijk op papier te zetten. Woensdag 10 maart 1926, Ngawi: Anton Herman Gerard Hendrik Thümann trouwt met Josina Akolo. Na meer dan tien jaar samen. Na negen kinderen en verhuizingen. Laat—hij was 44, zij dertig—maar eindelijk formeel. Praktisch ook: de kinderen kregen nu zijn naam in de boeken, niet alleen in de mond. Maar het was méér dan papier. Josina stond nu niet meer “bij” hem, ze stond náást hem. Dit was de eerste keer dat híj iemand voor zich claimde, niet omdat het leger dat vroeg, maar omdat zijn hart dat vroeg.
De cirkel rond
Ik weet het niet. Maar ik kan me voorstellen dat vierentwintig jaar uniform een hart zelden met rust laat. Dat hij ’s nachts wakker werd en iets zwaars voelde dat toen nog geen naam had. Alsof er nog as in de naden van zijn slaap zat. Dat de puri weer lag waar hij hem achterliet, de stoet opnieuw voorbij schoof. En heel dichtbij dat ene woord dat niet uit hem spoelde: “Vuur!” Er viel niemand meer te verwijten; de hand onder het bevel was de zijne.
Overdag dempte hij het met werk. Maar er was iets wat nóg beter werkte: rijden. Eerst met kar en paard. Later, toen hij het kon betalen, op een motorfiets. Wind in je gezicht, lawaai dat álles overstemt, niemand die “voorwaarts” roept. Het was het tegenovergestelde van een colonne: niet in de pas, maar alleen. Niet een luitenant die het tempo gaf, maar je eigen rechterhand. Misschien reed hij daarom zo graag motor: niet om stoer te doen, maar omdat het in zijn hoofd pas echt stil werd als de motor loeide. De jungle van Borneo, het geschreeuw op Bali, het klapperen van de loods in Amahai—alles zonk weg achter het geluid.
Zaterdag 26 februari 1927. Afdeling Ngawi, residentie Madioen—de weg was droog en stoffig. Links buffelden de kerbouwen in de sawah. Rechts het geritsel van de wind door het riet. Hij kende deze bocht; hij had hem vaker genomen op lagere snelheid. Maar nu was hij alleen. Geen detachement. Geen meerdere. Alleen hij en de motor. Wind in zijn gezicht, overhemd klapperend, niemand die telde of hij wel gelijk liep. Voor het eerst sinds Gombong stuurde híj.
Hij minderde niet. De lucht stond warm op zijn wangen. Nog één tel: het gas een fractie te lang open, de lijn van de bocht die net te laat sluit. Zijn hart sloeg hoog; geluid trok even weg en kwam gelijk scherper terug. Hij zag te veel tegelijk: een witte reiger die opvliegt boven de sawah, een rafel touw aan een paal, stroken schaduw van suikerriet over het wegdek. Het stuur trilde.
“Awas, Pak!” riep iemand, maar de wind vrat de stem op. Zijn rechterpols corrigeerde, de knie duwde tegen de tank, de schouder hing in. Geen grip. Het voorwiel zette een halve stap opzij—zo klein dat zijn hoofd het ontkende terwijl zijn lijf al wist wat kwam.
Hij had een vrouw. Hij had zonen. En één wiens hartslag je nog onder Josina’s hand kon tellen—Jack. Hij, geboren zonder vader, reed nu een lijn die weer dreigde te sluiten.
En toen kwam de klap…
Zijn bebloede lichaam lag verlamd tegen de rotswand aan. Zijn leren pet was van zijn hoofd gesmeten. Zijn zwarte haar wapperde nog even in de wind. En zijn hart stopte tussen twee onuitgesproken zinnen… Voor het eerst sinds Gombong hoefde hij nergens meer naartoe.
“Want het loon van de zonde is de dood...” — Romeinen 6:23

Overlijdensakte van Anton Herman Gerard Hendrik Thümann. Bron: Privébezit van Charles Jozef Thümann, opgesteld in opdracht van Freddy Thümann.

