Portret van Angeline Amaly Jacobsz. Deze foto komt uit het bezit van haar dochter Carla en is beschikbaar gesteld door Angela Verheul.
In dit verhaal zijn fragmenten uit het schriftje van Ans opgenomen. Deze worden aangeduid als "oma's fluistering."
Proloog: verloren stemmen
De wind beet in haar huid als een vreemde straf. IJskristallen prikten als splinters tegen haar wangen, zo anders dan de warme regen van het tropische Soerabaja. Ze klemde haar vingers om de bevroren reling, haar blik gericht op de natte, onbekende kade van IJmuiden. Dit koude land zou haar thuis moeten worden, maar alles voelde vreemd en afstandelijk.
Charles stond naast haar, zijn arm stevig om de hare gevouwen. Zijn grip was warm, geruststellend. Toch kon zelfs zijn aanraking de kou niet verjagen die diep vanbinnen wortel had geschoten. Ze wist dat hij haar angst voelde, haar verdriet, maar er werd niets gezegd. Hun stilte sprak luider dan alle woorden die ze niet durfde uit te spreken.
Achter haar lag alles wat ze ooit had gekend: het land van haar jeugd, van jasmijnbloesem en palmbomen, van gekruide geuren, warme zonnestralen, en zachte avondgeluiden. Van lachende stemmen die langzaam vervaagden in haar herinneringen—de stemmen van haar moeder, broertjes en zusjes, veilig en vertrouwd. Geen paradijsvogels meer, geen eindeloze natuur vol leven—alleen nog het kille schreeuwen van meeuwen en het gedreun van koffers op de gladde kade.
Ze keek niet meer achterom. Als ze omkeek, zou ze misschien breken. Indonesië had haar losgelaten, verstoten, en haar bemstaan uitgewist als voetstappen aan zee.
Toen ze eindelijk voet aan wal zette, haalde ze diep adem en trok haar sjaal dichter om zich heen. Alsof ze daarmee ook haar verleden kon bedekken. Vanaf dat moment besloot ze te zwijgen—niet uit lafheid, maar om te overleven. Over het land dat ze verloor, over de pijn die ze achterliet, zou ze nooit meer spreken. Ze verborg alles diep in zichzelf, achter een glimlach die niet helemaal van haar was. “We zijn nu in Nederland,” dacht ze, “dus we gedragen ons zo.”
Een verloren jeugd: van warmte naar stilte
Angeline Amaly Jacobsz (Ans) werd geboren op 10 januari 1931 in Soerabaja, maar haar eerste herinneringen waren niet die van een bruisende havenstad. Ze groeide op in het rustigere Sidoardjo, iets ten zuiden van Soerabaja, waar haar ouders, Francis Duncan Jacobsz (Doh) en Alexandrien Frederique Westhoff (Rien), woonden voordat alles veranderde.
Sidoardjo was een stad van brede wegen met palmbomen, omringd door rijstvelden die zich eindeloos uitstrekten tot de horizon. De geur van modderige visvijvers vermengde zich met het zoete aroma van suikerriet. Langs de oevers kabbelde de Brantas-rivier loom voort, terwijl vissers in de vroege ochtend hun netten uitwierpen—hun stemmen boven het klotsen van roeispanen uit klinkend.

Ans in 1931. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Herinneringen aan een onschuldige tijd
In de tuin achter het huis speelde ze met haar broertje James Eugèn Jacobsz (Jim) en haar zusje Cornelia Roswita Jacobsz (Klein). Hun blote voeten lieten afdrukken achter in de zanderige grond. Als het had geregend, kleefde de warme modder tussen hun tenen. Ze holden tussen de bamboepalen van het hek door, terwijl de middagzon lange schaduwen wierp op hun zachte, bruine huid. Wanneer de vermoeidheid toesloeg, streken ze neer onder de bomen. Licht sijpelde door de bladeren, danste over hun armen en benen. En de geur van rijp fruit hing zoet in de warme lucht.
Hun jeugd voelde als een wereld zonder einde, gedragen door het ritme van het huis. Terwijl zij speelden, zorgden de baboes, Javaanse bedienden, voor de maaltijden, wasten de kleren en hielpen de kinderen met aankleden. Hun vingers waren vaardig en zacht wanneer ze haar haar kamden of de knoopjes van haar jurk vastmaakten. Ze wisten niet beter dan dat elke dag zich in dezelfde vertrouwde cadans ontvouwde—tot hun ouders hen herinnerden aan wat er zich schuilhield tussen het gras en in de bomen.
Vader waarschuwde hen voor slangen, onzichtbaar in het hoge gras, bewegingsloos wachtend tot je te dichtbij kwam. Moeder sprak zachter, bijna fluisterend, over geesten die bij schemering ontwaakten. En dan waren er de apen—ondeugend en onvoorspelbaar—die met een plotselinge sprong uit de takken doken en alles meesleepten wat los zat. De gevaren waren echt, maar hun ouders lieten hen geloven dat voorzichtigheid bescherming bood—dat zolang ze de waarschuwingen volgden, er niets kon gebeuren.
Toch was niet elk ongemak te ontwijken. Soms zat het dichterbij, in hun eigen haar. De baboes probeerden hen te ontluizen, maar de vlooien waren met teveel. Uiteindelijk besloot vader Doh dat er maar één oplossing was. Hij liet hen in de tuin op een houten krukje plaatsnemen, kneep hun kin zachtjes omhoog en streek met een natte doek over hun hoofdhuid. Dan pakte hij het scheermes—een glimmend stuk staal dat in het zonlicht oplichtte—en begon met vaste, geduldige halen. Voorzichtig schraapte hij de laatste stoppels weg, terwijl kleine zwarte haartjes als dun stof neerdwarrelden en met de wind verdwenen. De geur van zeep mengde zich met de geur van gras en aarde, en het metaal voelde koel tegen hun warme huid. Wanneer hij klaar was, veegde hij hun hoofd nog één keer schoon met een vochtige doek en klopte hij hen zachtjes op de schouder. Hun gladde hoofden glansden in het zonlicht terwijl ze giechelend hun handen erover wreven, verbaasd over het vreemde gevoel.
Nog wennend aan de onverwachte lichtheid op hun hoofden, renden ze de tuin in, op zoek naar iets zachts en vertrouwds. Ze speelde met de puppy’s van haar vader, hun kleine lichamen trillend van enthousiasme. Zodra hun zachte vacht haar wang raakte, giechelde ze. Hun natte snuitjes likten haar gezicht, hun pootjes trappelden tegen haar handen. Ze hield ze stevig tegen zich aan, alsof ze bang was dat ze zouden verdwijnen zodra ze haar greep loste. Later zouden deze pups uitgroeien tot jachthonden, trouwe begeleiders van haar vader. Maar nu waren ze nog klein, onschuldig en vol energie.

Ans als jong meisje, zittend in het zand met twee speelse puppy’s, bij haar ouderlijk huis in de jaren '30.

Ans en Jim met een puppy en kale, gladde hoofdjes. Op de achtergrond staat één van de Javaanse bedienden. De foto's komen uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Dan was er de motor van haar vader. Groot en robuust, met een diep, zwaar gegrom als hij startte. Soms mocht ze erop zitten, haar beentjes bungelend over de rand. Haar kleine vingers vonden de toeter, en met een lichte druk klonk een schel, jolig geluid. Ze barstte in lachen uit en gooide haar hoofd in haar nek van pure vreugde. Op goede dagen tilde haar vader haar voor zich op de tank, hield haar stevig vast en reed langzaam rondjes door de tuin. De wind suisde langs haar wangen, haar hart bonsde van opwinding. Ze voelde zich groot, alsof ze samen met hem over de wereld heerste.

Ans op de Excelsior-motor van haar vader, samen met een van de hondjes. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Buiten leefde de kampong volgens zijn eigen ritme. Nog voordat de straatverkopers in zicht waren, kondigden ze hun komst aan met ritmisch getik—een blokje hout dat telkens tegen een ander stuk sloeg, een vertrouwd geluid dat door de ochtendstilte golfde. 'Roti, roti manis!' klonk het, steeds dichterbij. De geur van vers geroosterde pinda’s en gebakken tempeh kon je van ver ruiken. Soms kreeg ze een warm broodje aangereikt, zoet en zacht, met boter die smolt op haar tong. Later op de avond, als de lucht was afgekoeld, klonk het gerinkel van een belletje en zweefde de zoete geur van gember en kleefrijst haar tegemoet—warm en stroperig, met pinda’s die kraakten tussen haar tanden.
Na het eten renden de kinderen weer op blote voeten door de weelderige tuin en over de koele plavuizen van de galerij. Hun stemmen stegen op in het gouden licht van de ondergaande zon. In de verte klonk het schallen van een gamelanorkest, gedragen door de avondwind, afkomstig van een bruiloftsfeest dat tot diep in de nacht zou duren.
Nog voor de eerste sterren verschenen, werden ze geroepen—tijd om te badderen. Met lauw water uit een emmer spoelden ze het stof van de dag weg. De geur van kokosolie en zeep uit de fabriek van haar vader dreef op de wind, terwijl druppels langs haar huid gleden als de laatste restjes van de dag. Het was het ritueel van de avond—wassen, afdrogen, in slaap vallen met de geur van zeep nog in hun huid. Nog even fluisterende stemmen onder de lakens. En een laatste zuchtje wind door de bomen.
Maar zoals een rivier langzaam van koers verandert, begonnen ook de zekerheden van haar jeugd te verschuiven. Eerst nauwelijks merkbaar. Gefluisterde gesprekken achter gesloten deuren. Spanningen in huis die ze nog niet begreep. Haar ouders, ooit het fundament van haar veilige wereld, leken steeds verder van elkaar verwijderd te raken.
Een huis in scherven
“Een kind kan zijn ouders niet zelf uitzoeken. Je maakt als ouders veel fouten, dat zie je pas later, als je oud bent en je balans opmaakt.”
Ze was nog geen vijf jaar oud toen de eerste scheuren in het huwelijk van haar ouders zichtbaar werden. 's Avonds, wanneer de zon langzaam achter de horizon verdween, hoorde ze hun ruzies. Soms waren het ingehouden woorden, sissend als stoom die uit een ketel ontsnapten. Andere keren schoten de stemmen als zweepslagen door de muren van hun huis. Ze wist dat het zou eindigen met een deur die dichtsloeg. Met een stilte die net zo verstikkend was als de woorden ervoor.
Niet lang daarna pakte haar moeder hun spullen. Ze verliet het huis, met haar kinderen aan haar zijde—Jim, Klein en het kind dat ze nog onder haar hart droeg. Haar vader, Doh, bleef achter in het huis dat eens van hen samen was geweest. Hij was er nog, maar niet meer voor haar.
Na de scheiding vond Rien onderdak bij haar vroegere pleegouders—opa en oma Claasz. Maar Ans was daar niet gelukkig. “Een paar ... oudjes (mag ik niet zeggen). Jim weet wel wat ik wil zeggen,” schreef ze later. Ze had geen stem gehad in wat er gebeurde. Geen keuze. Geen afscheid. Haar vader verdween niet fysiek, maar hij werd uit haar leven gewist. Alsof ze geen vader meer mocht hebben. Alsof de pijn van haar moeder ook haar herinneringen aan hem moest wissen.
Niet lang daarna werd haar jongste broertje geboren, Roelof François Jacobsz (Boy). Hun moeder stond er nu alleen voor, met vier kinderen en zonder vast inkomen. Ze vocht om hen te onderhouden. Maar de wereld liet weinig ruimte voor een vrouw zonder man. Overdag probeerde ze hen te voeden. ’s Nachts klonken de echo’s van een verloren strijd nog na in hun huis. Soms was er stilte. Maar die was zwaarder dan woorden.
Het was deze uitzichtloosheid die haar moeder dwong een hartverscheurende keuze te maken: als oudste dochter werd Ans naar het klooster gestuurd. Ze had nooit een stem gehad in de beslissingen die haar leven bepaalden. Haar familie viel uiteen, en zij verdween—net als haar vader—uit het huis.
“Mijn moeder, hoe was ze? Ze was lief. Ze was er. Daar is alles mee gezegd. Ze heeft een heel moeilijk leven gehad en nooit, maar dan ook nooit heb ik haar horen klagen. Ze was zo gelaten, alles liet ze over zich heen komen, misschien wel van verdriet, ik weet het niet.”
Achter gesloten poorten
“Vijf, zes jaar en je ging het klooster in, alleen met vakanties mocht je naar huis. Je werd goed verzorgd, maar je was een nummer.”
Als oudste dochter werd Ans naar het klooster gestuurd. Niet uit vrije wil, maar omdat haar moeder geen andere keuze had. Zonder man en zonder vast inkomen kon Rien niet langer voor al haar kinderen zorgen. De beslissing was zwaar, maar onvermijdelijk. Voor Ans voelde het als een stilzwijgende boodschap: ze hoorde nergens meer echt bij. “Kinderen van Rien, wij aten genadebrood,” zou ze later schrijven. Die woorden droegen de pijn van afhankelijkheid en de stille schaamte die haar jeugd zou tekenen.
De poort sloot zich. Haar moeder liep weg. En haar voetstappen stierven langzaam weg op de stenen. Voor het eerst voelde ze hoe leeg een plek kon zijn. Zelfs met zoveel mensen om haar heen. De geur van boenwas en oude boeken hing in de gangen, vermengd met de kille vochtigheid van steen dat nooit helemaal warm werd. Haar voetstappen galmden over de tegels. Alles hier leek haar te vertellen dat ze stil moest zijn. Dat ze onzichtbaar moest worden. Maar hoe stiller ze werd, hoe luider de echo’s in haar hoofd klonken.
Elke dag begon vroeg, nog voor zonsopgang. Eerst het ochtendgebed, knielend op de harde houten bankjes, de stemmen van de zusters die in monotone cadans de psalmen prevelden. Haar knieën tintelden van het lange zitten, haar ogen traanden van de slaap. Daarna het wassen met ijskoud water uit een kom—een schok die haar adem even deed stokken. De lessen waren lang en stil. De enige onderbreking was het geluid van het bord waarop met krijt de Latijnse gebeden werden opgeschreven. Maar 's nachts werd de stilte beklemmend. Enkel onderbroken door het zachte snikken van andere meisjes die net als zij verlangden naar de warmte van een thuis dat steeds verder weg leek.
“Je wordt geboren om God te dienen en daardoor in de hemel te komen,” werd haar door de nonnen ingestampt. Maar soms vroeg ze zich af waarom het leven op aarde dan zo moeilijk moest zijn.
Alleen tijdens de grote zomervakantie mocht ze terug naar haar moeder. Maar ze ging niet naar een thuis dat ze kende.

Jim, Boy en Ans samen met tante Bob (wiens precieze identiteit onbekend is) in Blitar—waarschijnlijk tijdens de grote zomervakantie. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
De deur kraakte vertrouwd toen ze openging. De zon scheen op de veranda zoals altijd. Maar de warmte voelde anders. Het voelde niet meer als thuis. Haar moeder was hertrouwd. In 1939 werd haar eerste halfbroertje van moederskant geboren: Alex Westhoff. De vrouw die haar had weggebracht naar het klooster hield nu een nieuwe baby in haar armen. En Ans voelde zich een buitenstaander in het leven van haar eigen moeder. Haar kamer was niet langer haar kamer. Haar moeder was nog steeds haar moeder. Maar haar blik leek verder af te dwalen. Alsof Ans slechts een schim was van een verleden dat niet meer bij haar hoorde.
Zelfs de geuren waren veranderd. De vertrouwde geur van haar vaders zeep, die ooit in de kasten en kussens bleef hangen, was verdwenen. In plaats daarvan vulden vreemde geurtjes de lucht. En de meubels leken anders. Alsof ze een huis betrad dat haar langzaam vergat.
Maar Blitar was geen thuis—het was een tussenstation. Een plek waar herinneringen aan vroeger nog tastbaar waren, maar waar ze zichzelf niet meer terugvond. Alsof ze een bezoeker was in haar eigen jeugd, gedoemd om slechts langs de randen van het leven van anderen te bestaan.
De vakanties waren slechts een korte ontsnapping—een ademteug vrijheid die meteen weer werd ingeslikt zodra de kloosterpoorten zich achter haar sloten. Terug in het klooster viel ze opnieuw in de ritmes van gebeden en stilte. De dagen leken in elkaar over te vloeien. Tot op een dag haar zusje Klein ook binnen de kloostermuren verscheen.
“Toen Klein vijf jaar was, kwam ze ook en op een dag zag ik mijn kleine zusje boven aan de trap. Ik keek omhoog en kon niet naar haar toe. Kom maar, klein zusje van me, ik zal je wel helpen. Twee kleine bange kinderen, die niet naar elkaar toe konden.”
De kloosterpoorten hadden haar wereld ingeslikt. Het verleden, de stemmen, de warmte—alles bleef achter. Buiten bereik. Hier binnen telde alleen de stilte. Ze had geleerd te zwijgen, te gehoorzamen, zichzelf zo klein mogelijk te maken. En misschien was dat maar goed ook. Want buiten de muren begon de wereld te kantelen.
Toen de oorlog kwam
Op een avond werd Ans wakker van een vreemd geluid. Het klonk diep en laag, alsof de aarde zelf gromde. Eerst dacht ze aan een aardbeving. Maar het bed trilde niet. Dit was iets anders. Ze bleef liggen. Haar adem ingehouden. Alsof ze het geluid kon wegdenken.
Buiten klonk het gedempte schrapen van laarzen over de stoffige weg. Het zware stampen van voeten dreunde als een hartslag—steeds dichterbij.
Ze duwde de dunne deken van zich af en sloop naar het raam. Andere meisjes waren ook wakker. Hun ogen groot en gespannen in het schijnsel van de lantaarns buiten. En toen zag ze het. Door het raam doemden silhouetten op in de nacht: soldaten, gekleed in kakikleurige uniformen met lange geweren op hun rug. De maan weerspiegelde op hun helmen. Haar hart bonsde in haar keel.
“Het waren honderden marcherende soldaten. Japanse. Eng hoor.”
De volgende ochtend waren de nonnen weg. Geen afscheid, geen uitleg. Alleen lege gangen. Eerst dachten de meisjes nog dat ze terug zouden komen. Maar de dagen verstreken. En niemand kwam terug. De refter was stiller. De slaapzaal leger. De gebeden korter. De meisjes fluisterden minder. Bewogen voorzichtiger. Alsof ze niet wilden opvallen. Alsof ze bang waren dat als ze te luidruchtig waren, zij de volgende zouden zijn.
“Zo kwamen we in Blitar bij oma en opa.”
Blitar
Soerabaja bruiste van leven. De geur van verse sateh en bakso uit straatkraampjes mengde zich met de lucht van olie en rubber uit de haven. Trams en auto’s reden door drukke straten waar ze als kind met haar broertjes en zusje had gewandeld, hand in hand, tussen mannen met hoeden en vrouwen in kebaya’s die zich haastig door de stad bewogen.
Blitar was traag, stil. Geen haven, geen trams, geen winkelstraten vol licht en geluid. Alleen lange wegen met bomen die diep over de paden hingen, alsof ze hun geheimen wilden fluisteren. Overdag lag het dorp loom onder de zon, ’s avonds klonk weinig anders dan het zachte tjirpen van krekels en het roepen van gekko’s.

Op de voorgrond zit Boy op zijn driewieler, met naast hem Klein die een pop vasthoudt. Rechts leunt Jim tegen zijn fiets. Achterin staat Ans met een pop in haar armen, en moeder Rien houdt de jonge Alex vast. De foto komt uit het bezit van Ans zus Klein en is beschikbaar gesteld door Bert Otterspeer.
“Daar [in Blitar] hebben we geleerd wat werken was. Wij meisjes leerden koken, verstellen, kant uithalen en breien van zuster Gulje, een oude Surinaamse verpleegster die bij oma en opa in huis was. Breien, sokken, kouzen, blousjes, onderbroeken om te verkopen om te kunnen eten.”
Niet alleen Ans en Klein moesten aan het werk; ook Jim en Boy kregen taken. Ze leerden planten verzorgen, orchideeën water geven, de tuin netjes houden. Maar het was niet altijd eerlijk verdeeld.
“Jim was het zwarte schaap wat heeft die jongen een slaag gehad onverdiend. En planten verzorgen. Orchideeën enz. Het positieve Jim, is, dat je nu weet hoe je die dingen moet verzorgen. We hebben ons brood toen wel verdiend hoor. Genadebrood.”
Nu Ans niet meer naar school kon, werd het werk haar houvast. Maar buiten kroop de oorlog steeds dichterbij. Japanse patrouilles liepen door de straten, hun blikken strak en onderzoekend. De Kempeitai verscheen steeds vaker. Mannen verdwenen zonder reden. Gezinnen werden weggehaald. Niemand wist wie de volgende zou zijn.
Moeders hielden hun dochters angstvallig binnen zodra de Japanners naderden. Soms was het te laat. Eén meisje werd meegenomen. Haar moeder schreeuwde haar naam. Maar niemand durfde in te grijpen. De volgende dag fluisterden mensen dat ze in een van de ‘huizen’ was beland. Daarna sprak niemand nog haar naam uit.
Thuis bleef het werk doorgaan alsof niets veranderd was. Maar Ans zag haar moeder steeds vaker hoesten, eerst zacht, toen diep en pijnlijk. Haar huid werd bleker, haar bewegingen trager. Misschien was het de uitputting, misschien iets anders. De baby kwam bijna. Ze kon hier niet blijven. Niet in deze omstandigheden.
Ze moesten terug naar Soerabaja. De stad waar alles ooit begonnen was. Haar moeder zou daar de zorg kunnen vinden die ze nodig had. Maar niets zou nog hetzelfde zijn. Ze pakten een paar spullen, overtuigd dat ze snel terug zouden keren zodra alles achter de rug was. Maar de oorlog had andere plannen.
Darmo
En zo kwam de dag dat Ans met haar moeder in Soerabaja werd geïnterneerd. De metershoge hekken sloten zich achter hen en de wereld werd kleiner. Daarbinnen was er nog maar één zekerheid: honger. Wat eerst een ongemakkelijk gevoel was, werd een constante realiteit.
Het kamp zat vol vrouwen en meisjes. (Indo-)Europeanen, Chinezen, Armeniërs. Moeders met kinderen. Dochters zonder vaders. De mannen waren apart opgesloten. De oudere jongens—degenen die te groot werden om nog als kind te tellen—werden weggehaald, gescheiden van hun moeders. Ook Jim. Zijn schreeuw was het laatste wat Ans van hem hoorde.
Het dagelijks leven in het kamp was zwaar en eentonig. De nachten werden doorgebracht in overvolle kamers, waar gezinnen schouder aan schouder lagen met wildvreemden. Privacy was een luxe die niemand meer kende. Slapen gebeurde op dunne matten van gevlochten bladeren, die nauwelijks bescherming boden tegen de koude, harde vloer. Buiten, in geïmproviseerde keukens, werd het schaarse voedsel gekookt in grote tonnen boven open houtvuren. De rantsoenen waren karig verdeeld en net genoeg om te blijven leven. Maar nooit genoeg om de voortdurende, knagende honger weg te nemen. Elk bord was een herinnering aan wat ze niet hadden. Elke hap was een stille wens om ooit weer écht verzadigd te zijn.
Grote kinderen, zoals Ans, moesten helpen met diverse karweitjes. Ze schrobden vloeren, veegden pleinen schoon en sleepten met emmers water—soms urenlang onder de brandende zon. Hun behoeften deden ze in primitieve latrines: vieze gaten in de grond waar de stank niet te harden was en vliegen zich verzamelden rond de smerige resten. Buikloop, malaria en tropische zweren maakten snel slachtoffers. Medicijnen waren er nauwelijks; die hielden de Jappen voor zichzelf. De mensen in het kamp beschouwde de Jap als grof vuil. De dood werd zo al snel een bekende bezoeker binnen de hekken.
Toen, op 19 oktober 1943, werd haar halfzusje Antonia Elly Lucie Westhoff geboren. Een nieuw leven op een plek waar vooral de dood heerste. Haar moeder hield de baby dicht tegen zich aan, alsof ze haar zo kon beschermen tegen de wereld buiten de hekken. Maar hoe bescherm je een kind tegen een plek die zelfs volwassenen brak?
Wat verzwegen bleef
De dood heerste niet alleen bij Ans in het kamp. Ook elders vonden dagelijks gruweldaden plaats. Een van die gebeurtenissen werd later herinnerd door Silvia Magdalena Jacobsz (Meiske), een halfzusje van Ans, die in een ander kamp gevangen zat.
“Een vrouw uit ons kamp had niet goed gebogen voor de schildwacht. Toen hij haar beval om het opnieuw te doen—en dit keer goed—zette ze een grote mond op tegen hem. Haar brutale repliek moet hem diep vernederd hebben, want wat volgde was gruwelijk. Alle kampbewoners moesten aantreden op de appelplaats om te zien hoe zij werd gestraft voor haar belediging van een vertegenwoordiger van de Keizer van Japan. Toen iedereen verzameld was, moest de vrouw midden op het plein knielen en voorover buigen. Een van de Japanners hief zijn samoeraizwaard en doodde haar met één slag. Of ze daadwerkelijk werd onthoofd, weet ik niet zeker—ik had mijn ogen gesloten vlak voordat de slag werd toegebracht. Van anderen hoorde ik later dat ze dood was.”
Niet alleen wreedheid als openbare straf, maar ook de alledaagse overlevingsdrang kon dodelijke gevolgen hebben. Meiske vertelde later hoe ze eens door de hekken eten probeerde te smokkelen door een Javaanse verkoopster te misleiden met nepgeld. Ze werd gesnapt en kreeg een zware straf: urenlang moest ze op een metalen vat staan, haar gezicht naar de zon gekeerd, terwijl het metaal onder haar blote voeten steeds heter werd.
Wat Ans zelf heeft meegemaakt in het kamp, blijft grotendeels verborgen. Er waren dingen waarover ze nooit sprak. Stiltes die zwaarder wogen dan woorden. Misschien omdat sommige herinneringen te pijnlijk waren om vast te houden. Of omdat ze alleen in stilte konden voortbestaan. Soms is het niet wat verteld wordt, maar wat verzwegen blijft, dat het meest voelbaar is.
Na de bevrijding: chaos en onzekerheid
15 augustus 1945. Het nieuws kwam via de radio: Japan had zich overgegeven. De oorlog was voorbij. Maar in kamp Darmo voelde Ans geen vreugde, slechts een vreemde, beklemmende leegte. De Japanse bewakers, ooit zo gevreesd en meedogenloos, waren plotseling stille schimmen geworden. Sommigen zaten verslagen op hun hurken, starend in het niets alsof hun zielen hen hadden verlaten. Anderen trokken zich terug in donkere hoekjes van het kamp, waar ze zich met trillende handen en gezichten vol schaamte en wanhoop voorbereidden op hun einde. Het geluid van hun laatste kreten drong door het kamp, scherp als messen, gevolgd door een zware stilte. Wat betekende vrijheid nog?
De Indonesische revolutie
Buiten de muren brak onmiddellijk een nieuwe strijd uit. Soerabaja kolkte van woede en opstandigheid, aangevoerd door nationalistische Indonesische jongeren, de pemoeda’s, die elke herinnering aan het koloniale verleden met geweld uitwisten. Straatnamen, monumenten, winkels, families—alles wat ooit vertrouwd en veilig was, werd door diepe haat met brute kracht verwoest.
Frank Boon, de man van Ans' halfzusje Meiske, herinnerde zich die tijd in Soerabaja nog goed. Hij zag hoe een groep pemoeda’s de Chinese overbuurman uit zijn bescheiden kruidenwinkeltje sleurden, hem schoppend en slaand dwongen op zijn knieën te vallen. Met wilde ogen en onbedwingbare razernij grepen ze zijn zwangere vrouw en rukten haar kleding aan flarden. Terwijl haar man gedwongen moest toekijken, werd haar buik met een bamboespeer opengereten. De ongeboren baby viel uit haar lichaam, hulpeloos en stuiptrekkend op de bebloede stenen. Met een ziekelijke passie vertrapten ze het kind, keer op keer, alsof ze wilden bewijzen hoeveel haat hun voeten konden dragen. De vrouw schreeuwde, een ijzingwekkend, bijna dierlijk geluid dat boven het rumoer uitkwam, totdat ook zij met scherpe bamboesperen werd gespietst. Haar kreten stierven langzaam weg, verloren in het rumoer van juichende stemmen, die keer op keer ‘Allahoe akbar!’ riepen, alsof het bloedbad een heilige overwinning was.
De tokohouder zat op zijn knieën, versteend, zijn gezicht vertrokken van angst en ongeloof. Tranen stroomden geluidloos over zijn wangen, wetend dat zijn toekomst zojuist voorgoed was weggerukt—dat hij nooit meer zijn vrouw zou omarmen, nooit meer zijn kind zou zien opgroeien. Zijn enige misdaad: hij was Chinees. Het was puur racisme. Een onmenselijke haat die geen genade kende, geen rede en geen menselijkheid. Hij keek nog één keer omhoog, naar gezichten vol haat, en begreep dat hij de volgende was.
Deze gruweldaden waren geen uitzondering. Ze waren onderdeel geworden van Ans' dagelijkse realiteit. Indo-Europeanen zoals Ans hoorden nergens meer bij. Ze waren niet volledig Nederlands en Indonesisch evenmin. Voor de Nederlanders waren ze vreemden, voor de Indonesiërs waren ze verraders. Vrijheid bestond niet. Alleen angst en verwarring.
“De politieke toestand was zo slecht,” schreef Ans over die jaren.
Ironisch genoeg waren het nu haar voormalige Japanse bewakers die haar moesten beschermen tegen de dreiging van buitenaf. Het kamp bleef dicht, de hekken stevig vergrendeld voor haar eigen veiligheid. De vijanden die hen jarenlang hadden onderdrukt, waren nu hun laatste hoop.
Pas toen Britse troepen eind 1945 na hevige gevechten Soerabaja binnentrokken en de straten enigszins tot rust brachten, gingen de poorten van Darmo eindelijk open.
Bij haar vrijlating werd Ans geregistreerd, medisch nagekeken, ontluisd en ontwormd door het Rode Kruis. Voor het eerst in jaren kon ze zich wassen met écht water en zeep; eindelijk weer een gevoel van schoon zijn, al bleef haar huid ruw en haar lichaam mager. Zelfs het simpele comfort van een normaal toilet voelde als een vreemde luxe. Alsof ze langzaam weer mens mocht worden.
Terwijl ze voorzichtig probeerde te wennen aan deze nieuwe werkelijkheid, hoorde ze dat haar vader was overleden aan de beruchte Birma–Siam-spoorweg. Het nieuws kwam onverwacht, maar veranderde weinig—ze had haar vader immers nooit echt gekend. Toch besefte ze dat hiermee ook de kans om hem ooit te leren kennen voorgoed verloren was gegaan.
Een nieuw thuis
Ans verhuisde met haar familie naar Jalan Dinojo 80, waar ze samenwoonden met haar moeder Rien, pleeggrootouders Claasz, broertjes Jim, Boy en Lex, zusjes Klein en Lucie, en een Chinese vrouw genaamd Tjie Tjeng Soei. Het huis was klein en vol, maar ondanks alles waren ze samen.

Ans en Klein poseren samen voor een kerstgroet in 1946. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Toch was niets meer hetzelfde. Buiten hing een dreigende stilte. De stad was veranderd, de onrust voelbaar. De 7-jarige Alex deed wat hij kon om zijn familie te helpen. Zijn energie en lef waren bewonderenswaardig voor zo’n klein kind.
“Lex kwam altijd met eten. Hij scharrelde overal. Later kwam hij ook thuis met de militair van wie hij dat eten kreeg. Lex, hij is aan malaria overleden.”
Zijn dood liet een pijnlijke leegte achter. Maar veel tijd om te rouwen was er niet. De verhalen uit de kampong achter hun huis werden steeds grimmiger.
“Als meisjes van zestien, zeventien jaar was je natuurlijk nieuwsgierig. Je hoorde zulke enge verhalen over de kampong, achter ons, dat ik zelf op een avond ben gaan kijken. Griezelig hoor. Overal zag je verminkte lijken. Ik ben er ook nooit meer geweest. Van mammie heb ik een draai om de oren gehad.”
De harde realiteit van een land in chaos drong zelfs binnen hun huis door. Rien, haar moeder, werd steeds zieker en Ans voelde zich machteloos. “Mam was toen zo vreselijk slecht. Ze had een gat in de long, als je dat gezegd wordt als kind, ben je wel radeloos. Niemand die kon helpen.” De dagen waren zwaar, maar Ans hield zich vast aan alles wat ze wél kon doen. Samen met haar broertje Jim werkte ze in het ziekenhuis—niet uit roeping, maar simpelweg om te overleven. “Hadden we ten minste eten,” dacht ze. Maar ook dit hield niet lang stand.
Jim moest noodgedwongen vertrekken naar Nederlands-Nieuw-Guinea—ver buiten de greep van de republiek, voor zijn eigen veiligheid. Zo bleef Ans alleen achter. Ondanks alles richtte ze haar blik vooruit en hervatte ze haar opleiding aan de MULO, waar ze uitblonk in stenografie, typen en de Nederlandse taal. Aardrijkskunde, handrekenen en boekhouden lagen haar minder. Ze droomde ervan verpleegster te worden, maar zoals ze later zelf met een liefdevolle knipoog schreef: “Ik werd verpleegster van Charles.”

Cijferlijst op het einddiploma van Angeline Amaly Jacobsz, uitgegeven door het Departement van Opvoeding, Kunsten en Wetenschappen te Batavia
Een nieuw leven met Charles
Toen hun buren Lis en Maurits trouwden, zag ze hem voor het eerst: Charles Jozef Thümann, twee huizen verderop wonend op Jalan Dinojo 82. Hun blikken ontmoetten elkaar voorzichtig. Een glimp van hoop.
“We leerden elkaar kennen op de bruiloft van Lis en Maurits. Wat waren wij verlegen. Wij keken naar elkaar met steelse blikken. Twee weken later kwam Charles thuis om kennis te maken met oma Claesz (de witte oma werd ze genoemd, onze overgrootmoeder) Mam, pap, tante non en de hele fam. Leuk hoor. Daarna vroeg hij of met me uit mocht. Dat mocht, maar 11 uur thuis, ha ha. Natuurlijk waren we te laat. Half 12 kwamen we. Nou Charles heeft het wel geweten. Van witte oma kreeg hij op zijn kop. We waren daarna altijd op tijd thuis.”
In een land vol onzekerheden was Charles misschien wel de enige zekerheid. Haar moeder Rien zag het wel zitten—een militair met een vast inkomen, dat was tenminste iets om op te bouwen.
“We hebben veel plezier gehad elke avond buiten eten, tot we op een keer verkeerd hadden gegeten en de poeperij kregen. Afgelopen was de pret toen.”
Maar de dreiging bleef. Charles stond op de dodenlijst van het leger van de nieuwe Indonesische republiek. Hij werd gezocht omdat hij had gevochten bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).
“Hij kreeg een oproep om naar Holland te gaan. Wat nu? Achterlaten wou hij me niet. Dus we trouwden. 16 Jan 1951. Hele eenvoudige bruiloft, waarvoor hij zijn oude trouwe fiets verkocht heeft. De fiets die ons overal naartoe heeft gebracht.”

Bruiloft van Ans en Charles op 16 januari 1951, thuis aan de Djalan Dinojo 80 in Soerabaja. Ans loopt met oom Baier van huis, op weg naar het gemeentehuis.

Bij het gemeentehuis loopt Charles achter Ans en oom Baier aan.

Na de ceremonie loopt het pasgetrouwde stel zij aan zij terug naar huis.

Achter het grote boeket zit het bruidspaar. Op de foto zijn onder anderen te zien: moeder Rien met haar tweede man, oma Claasz, en kinderen uit de familie Baier. De foto’s komen uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
De overtocht
Toen Ans op de loopplank naar het schip stond, draaide ze zich nog één keer om. Soerabaja lag achter haar, badend in het warme licht van de ochtendzon, alsof de stad haar niet wilde laten gaan. Dit was het land waar ze was geboren, waar ze had gelachen, gehuild, liefgehad en verloren. Haar jeugd lag daar, tussen de geur van bloemen na een tropische regenbui en het zachte geroezemoes van familie op de veranda. Dit was haar thuis. Maar thuis had haar verstoten.
Ze klemde haar vingers om de reling. Haar hart bonkte in haar borst. Daar op die kade liet ze niet alleen haar stad achter, niet alleen haar land. Ze liet haar moeder achter, haar broertjes en zusjes, haar familie—de stemmen die haar hadden gevormd, gekoesterd, gedragen. Ze wist niet of ze hen ooit nog zou terugzien. Alles voelde onherroepelijk. Alsof een deel van haar voorgoed zou blijven zweven tussen twee werelden, zonder anker, zonder richting.
De reis begon met een KPM-schuit, de Oudshoorn. Na één dag op zee meerde het schip aan in Semarang, waar veel lotgenoten aan boord kwamen—voornamelijk militairen met starre blikken en zware koffers. Twee dagen later, op 29 januari 1950 om half acht ’s ochtends, bereikten ze Jakarta. Daar volgde ze Charles van boord om zich met hem te vestigen in transitkamp Tjililitan, waar ze zouden wachten op het schip dat hen naar Nederland zou brengen.
Het kamp was geen plek van rust. De kranen bleven ’s ochtends tussen acht en twaalf dicht vanwege de lage waterdruk. Diefstal kwam vaak voor en bleef meestal onbestraft. Wie zich buiten de hoofdingang waagde, liep het risico neergeschoten te worden. Zelfs voetbal was verboden. Dat het kamp ooit Kampong Makassar heette, en tijdens de Japanse bezetting een interneringskamp voor vrouwen en kinderen was geweest, maakte de sfeer voor Ans nog beklemmender. De muren droegen herinneringen die leken mee te ademen.
Na bijna twee weken in dat benauwde niemandsland werden Ans en Charles opgeroepen. Ze reisden naar de haven van Tandjong Priok. Daar lag ze al—de Johan van Oldenbarnevelt, massief en stil, dobberend in het water als een dier dat twijfelde of het wel opnieuw aan de oversteek wilde beginnen. Het schip torende hoog boven de kade uit, zijn romp zwart en verweerd van eerdere reizen. De metalen huid droeg de littekens van tijd en zout. Alsof ook zij wist hoeveel families ze al had losgerukt van hun geboorteland.
Rond vier uur ’s middags zetten Ans en Charles voet op de loopbrug. Niet veel later klonk het vertreksein. De trossen werden losgemaakt. Het schip gleed langzaam weg van de kade, alsof het afscheid zelf een beweging was—traag, onafwendbaar. De lange, trage overtocht naar een nieuw leven begon.

Nederlands paspoort op naam van Angeline Amaly Jacobsz, uitgegeven door het Koninkrijk der Nederlanden op 1 november 1950.
Tussen hemel en zee
Op een ochtend, ergens midden op de Indische Oceaan, stond Ans aan de reling. De wind trok aan haar rok en blies haar haren los, terwijl het vroege zonlicht als vloeibaar goud over het water gleed. Alles om haar heen leek op te lossen in beweging en stilte—de deinende zee, het trillen van de motoren onder haar voeten, het geknars van touw tegen hout. De lucht was zout en ijl, doordrenkt van roest, olie en verre vochtigheid.
Ze kneep haar ogen half dicht tegen het licht. De leegte van de oceaan vouwde zich om haar heen als een sluier. En met die leegte kwamen de herinneringen. Niet omdat ze ze wilde, maar omdat het lichaam soms herinnert wat het hoofd liever vergeet.
Ze zag weer de hekken van het kamp: roestig, benauwd, met vrouwen die hun angst opgevouwen hielden tussen hun ribben. Lichamen in de kampong, afgedekt, verminkt. De stemmen van bewakers, schurend als zand in de keel. En het tikken van breinaalden—steek na steek, in Blitar, haar rug krom, haar vingers pijnlijk stijf, in ruil voor een handje rijst en een verloren stukje kindertijd.
En nu was er alleen wind, water en licht. Geen bevelen. Geen schoten. Geen klemmen van angst. Alleen het zachte geruis van golven tegen staal. Het eentonige gedreun van een motor. En het krakende hout dat zich schrap zette tegen de beweging van de wereld.
Ze legde haar hand op haar onderbuik. Niet omdat ze erover nadacht, maar omdat haar lichaam het wist: daarbinnen groeide iets. Een kind. Een toekomst. Een belofte zonder stem, maar al sprak in stilte. Geen tropische hemel zou dit kind verwelkomen. Geen geur van jasmijn, geen zachte klanken van een baboe die het in slaap zou zingen. Het zou opgroeien in kou. Tussen onbekende stemmen. Tussen stenen muren die haarzelf nog vreemd waren.
En toch, in dat ene moment—tussen hemel en zee—voelde ze iets verschuiven. Iets dat ademde, nog zonder vorm of naam, maar onmiskenbaar levend. Geen vervanging. Geen vergetelheid. Alleen iets nieuws dat naast alles wat ze meedroeg mocht bestaan. Iets kleins, misschien. Iets als hoop. En misschien was dat genoeg.
Land van kou
Het was half vier ’s ochtends op 6 maart 1951 toen ze aankwamen in IJmuiden. De droge, ijle lucht sloeg als een muur tegen haar aan toen ze van boord stapte. Haar adem kwam in witte wolkjes uit haar mond, alsof zelfs haar warmte haar wilde verlaten. Ze had geweten dat het koud zou zijn, maar niets had haar kunnen voorbereiden op de allesdoordringende kilte. Min drie graden, had iemand gezegd. Maar wat betekende dat, voor iemand die kou alleen kende als nachtelijke regen?
Ze werden naar Middelburg gebracht, naar Hotel Pax—een opvangplek voor nieuw aangekomen Indische gezinnen. Het woord Pax, vrede, klonk hol, als een belofte die nooit helemaal voor hen was bedoeld. Het hotel voelde als een wachtkamer, een plek waar tijd zich ophoopte maar niets gebeurde. Geen thuis, geen bestemming. Alleen wachten. Wachten op werk, op een woning, op erkenning—iets dat hen zou laten voelen dat ze hier thuishoorden.

Uitzicht op Hotel Pax in Middelburg, Zeeland, zoals het eruitzag in de jaren ’50. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Ze leerde al snel dat Nederlanders hen niet met open armen ontvingen. De mensen hier praatten op een manier die haar afsneed—koud, direct, alsof beleefdheid een last was. Ze begreep hun woorden, maar niet hun toon. In Indonesië zat zachtheid in elk gebaar, in elke stilte. Hier sneden mensen met hun zinnen, zonder het door te hebben.
Er waren zelfs momenten waarop ze haar huid probeerden schoon te schrobben, alsof die bruine kleur slechts vuil was dat je kon wegwassen met genoeg zeep en water. Alsof haar afkomst een fout was, iets dat snel gecorrigeerd moest worden.
En als ze voorzichtig probeerde iets te vertellen over de oorlog, over de kampen, over de nachten van angst en dagen zonder eten, werd haar stem gesmoord door onbegrip: “Maar jullie zaten toch niet in een concentratiekamp?” Alsof haar herinneringen minder waard waren en haar pijn niet telde omdat ze zich afspeelde onder een andere hemel.
Na maanden wachten kwam er bericht: ze mochten verhuizen. Op 5 november 1951 kwamen ze aan op Landgoed De Oldhorst in Wezep. Het lag aan het einde van een lange oprijlaan, tussen hoge eiken en linden die de wereld buitenhielden als soldaten in formatie. Het landhuis stond wit en trots met hoge ramen en een torentje waar ooit dienstmeiden hun kamers bereikten.
Voor een buitenstaander leek het landgoed bijna sprookjesachtig—beekjes die glinsterden tussen het lover, een tunnel van rododendrons die zich als een groene boog over het pad vouwde, een oude stenen grot verstopt in het park. Maar voor Ans voelde het als een toneelstuk zonder acteurs. Een zorgvuldig opgebouwd decor, maar zonder verhaal. Zonder ziel.
Er klonk geen geroezemoes op een veranda, geen geur van gebakken bananen, geen zacht ritme van gamelan dat de avond begeleidde. Alleen stilte. Alleen kou. Het was niet Indië.
Elke avond, als ze de ramen sloot en de wind hoorde fluiten door de kieren, dacht ze aan de warme nachten van haar jeugd. Aan de krekels, aan het lachen van haar broertjes in de tuin, aan haar moeder die zachtjes zong terwijl ze in de keuken bezig was. Haar verleden ritselde nog na, als bladeren in een wind die hier nooit waaide.
Ze hield haar dochter dicht tegen zich aan, het warme lijfje slapend op haar borst. Sonja, geboren in Middelburg, groeide met de seizoenen mee. En terwijl de herfst langzaam de linden kleurde en de grond bedekte met bladeren, droeg Ans opnieuw een leven in zich. Alsof haar lichaam haar fluisterde dat er toekomst was, zelfs hier. Ze sloot haar ogen. En heel even, in dat stille, broze moment, was er iets dat leek op thuiskomen.

Landgoed De Oldhorst in Wezep in de jaren ’50.

Ans met dochtertje Sonja op de arm bij Landgoed De Oldhorst in Wezep, winter 1951. Ze verbleven daar in kamer K10.

Ans met haar dochters Joyce en Sonja bij Oldhorst, 1953. De twee foto’s hierboven komen uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Een nieuw leven in Oldebroek
In 1953 verhuisden ze opnieuw. Dit keer naar Oldebroek, een verderop gelegen dorpje, omgeven door uitgestrekte weilanden, dennenbossen en zandpaden die zich als nerven door het landschap trokken. Ze kwamen hier terecht omdat Charles werkte op de kazerne in ’t Harde, als militair in dienst van de Nederlandse landmacht.
Oldebroek was een dorp waar iedereen elkaar kende. Nieuwe gezichten vielen op—zeker die van Ans. Meestal werd ze vriendelijk begroet, met een knikje of een kort woord, maar altijd in een dialect dat haar oren deed spitsen, zonder dat ze er grip op kreeg. Het klonk als iets tussen brommen en blaffen in—ruw, snel, binnensmonds. Alsof zelfs de taal haar wilde zeggen: jij hoort hier niet.
Ze kwamen terecht in een rijtjeshuis aan de Van Sytzamalaan, net achter de Hollanderstraat—de straat die in Oldebroek bekend stond als de ‘Indische buurt’. Hun achterburen waren Indo’s—mensen die dezelfde geuren kenden, dezelfde verhalen droegen, dezelfde herinneringen hadden aan een land dat hen had verstoten. Maar toch kozen Ans en Charles ervoor om net buiten dat blok te wonen, met Nederlandse buren aan weerszijden.

Juni 1958. Samen op pad door Oldebroek. Charles, Ans, Lucy (de vrouw van Boy) en de kinderen tijdens een wandeltocht. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Sonja en is beschikbaar gesteld door kleinzoon Rutger Dercks.
Alles binnen de lijntjes
“We zijn nu in Nederland, dus we gedragen ons Nederlands,” beloofden ze elkaar. Niet uit schaamte—maar uit noodzaak. Ze wilden vooruit, een nieuw leven opbouwen en het pijnlijke verleden achter zich laten. Ze wilden hun kinderen beschermen tegen buitensluiting en het gevoel van anders zijn. Aanpassing was geen zwakte, maar een wapen. Als je je gedroeg zoals zij, zou je misschien ook worden zoals zij: geaccepteerd, gezien en erkend als volwaardig Nederlander.
Maleis verdween uit het dagelijks gesprek. Of beter gezegd: het werd een geheimtaal. Iets dat alleen zij en Charles nog spraken—zacht, kort, en fluisterend, zodra de kinderen in de kamer kwamen. Want zij moesten het goed doen. Ze moesten geen accent hebben, geen afwijkende woorden, geen vragen oproepen. De jeugd van hun ouders—gevuld met oorlog, trauma, en verdwenen familiegeschiedenis—werd verzwegen. Niet omdat het niet belangrijk was, maar omdat het in dit nieuwe leven nergens meer leek te passen.
In huis klonk alleen nog Nederlands. Helder, correct, beheerst. Algemeen Beschaafd—zoals men het hier graag hoorde. En met de taal verschoof ook het gedrag. Alles binnen de lijntjes. Geen emoties die uitwaaierden, geen verhalen die teruggrepen naar een verleden waar niemand op zat te wachten. Alles wat te veel opviel—de half gezongen klanken van het Maleis; de onuitgesproken herinnering aan thuis—werd stilletjes weggeschoven. Verstopt. Onzichtbaar gemaakt. Niet om het te vergeten, maar om het veilig te houden. Want wie opviel, werd bevraagd. Aangestaard. Gekeurd. En vaak niet begrepen.
Daaronder zat nog iets diepers, iets waar ze zelden over spraken: het gevoel dat ze zich moesten verantwoorden. Alsof hun aanwezigheid alleen gerechtvaardigd was als ze zich dankbaar opstelden. Alsof ze met gebogen hoofd moesten bewijzen dat ze het waard waren om hier te mogen zijn. Ze hadden niets fout gedaan, niets verkeerds gedaan. Ze waren slachtoffers van de geschiedenis. Maar toch voelden ze zich schuldig. Voor het land dat ze verloren hadden. Voor het land dat ze binnenstapten. Voor alles daartussenin.
En dus leerden ze zich kleiner te maken dan ze waren. Onzichtbaarder. Netter. Net op tijd een raam dicht. Net iets beleefder in de winkel. Net iets minder zichzelf. Meegaan met de stroom, om niet tegen de stroom in te hoeven zwemmen. Want weerstand betekende spanning, wantrouwen, en dat konden ze zich niet veroorloven. Het was die oude Indische reflex—die diepgewortelde spierspanning van generaties: buigen voor de storm, zwijgen om te overleven, je aanpassen tot je bijna niet meer wist wie je eigenlijk was.
Een stille erfenis
In Oldebroek kwamen er naast Sonja en Joyce nog vier kinderen bij: Winny in 1954, Anneke in 1956, Carla in 1959, en uiteindelijk Rudy, hun enige zoon, in 1962. Zes kinderen, elk met hun eigen geluid, hun eigen dromen, hun eigen weg.
Het huis was nooit stil. Er was altijd beweging. Geschreeuw, gelach en geblaf. Ans hield zichzelf als jonge moeder voortdurend bezig. Ze kookte. Ze bakte. Ze schilde, sneed en roerde. In haar keuken vond ze houvast—een plek waar verleden en heden even samen konden bestaan. De kook- en breikunsten die ze zich als meisje tijdens de oorlogsjaren had eigen gemaakt, kwamen nu weer van pas. De geur van gebakken knoflook, de warmte van een pan soto op een regenachtige dag, de zachte damp op het keukenraam van versgekookte rijst. En als ze niet kookte, breide ze met elke steek iets terug wat verloren dreigde te gaan. Warmte voor haar kinderen. Later voor haar kleinkinderen. Liefde, draad voor draad. Haar handen vertelden haar verhaal—zacht en geduldig, maar stijf van de kou die zich diep in haar botten had genesteld.
Haar kinderen groeiden op met melk, boterhammen, stamppot, hagelslag en Sinterklaasliedjes. Ze zongen mee met de televisie, speelden met Nederlandse kinderen op straat en groeiden op met het idee dat ze gewoon Nederlands waren. Thuis werden ze ook zo gezien. Maar soms, als Ans naar hun glanzende, donkere haren keek, naar hun warme huidskleur, voelde ze iets wringen. Alsof er een lijn door hun leven liep die zij kon zien, maar haar kinderen niet.
Want buiten, op het schoolplein, hoorden ze er nooit helemaal bij. Ze werden nagekeken, soms uitgelachen, soms genegeerd. En hoe goed ze het ook deden op school—hoe netjes ze praatten, hoe keurig ze zich gedroegen—een écht Nederlands kind zouden ze nooit worden. Daarvoor waren ze net te anders. Maar ze wisten zelf niet altijd waarom. Want thuis werd er gezwegen. Niet uit onwil, maar uit liefde. Uit bescherming. Uit hoop dat het vanzelf zou verdwijnen. Maar in dat zwijgen verdween een deel van hun verhaal—en daarmee de sleutel tot hun eigen identiteit.
Herinneringen aan Ans
Een keuken vol liefde
Ans hield van koken. Niet een beetje, maar hartstochtelijk. Ondanks haar reuma—die haar gewrichten verstijfde en haar bewegingen vaak pijnlijk maakte—stond ze urenlang met haar kromme handen in de keuken. Zonder klagen. Zonder haast. Altijd met aandacht. Wat haar kinderen en kleinkinderen ook wilden eten, ze maakte het. Aardappelen? Geen probleem. Iets uit de Indische keuken? Graag. Maar het vaakst kookte ze wat ze zelf het lekkerst vond: allerlei losse gerechtjes, elk met hun eigen geur, kleur en smaak, die samen een tafel vulden als een feestmaal—een onvergetelijke smaakexplosie dat door weinigen geëvenaard kan worden.
De keuken werd haar domein. Overal stonden potten en pannen. Op het fornuis, op het aanrecht, op de vriezer. En boven op die vriezer lag een kleurrijk dekentje—niet ter versiering, maar als platform voor nog meer pannen. Charles, haar man, moest geregeld iets uit die vriezer pakken. Maar dat ging niet zomaar. Eerst alle pannen eraf. Dan op het aanrecht. En als dat vol stond, verhuisden ze naar de woonkamer. Pas dan kon de klep open. Iets pakken. Klep dicht. En dan het hele proces weer terug: pannen stapelen, in evenwicht brengen, dekentje rechtleggen. Daarna pas kon Charles zich met een diepe zucht terugtrekken in zijn stoel.
Tenminste… tot Ans ineens riep: “Hé Charles, jij vergeet nog iets uit de diepvries te halen!” Waarop Charles, met een wanhopige zucht en wapperende armen, riep: “Aduh, hoe toch jij… ik zit net!” En ja hoor, alles weer opnieuw.
Maar ze lachten. Want zo waren ze samen: ze plaagden, ze kibbelden, maar bovenal genoten ze van elkaars gezelschap. Zoals die keer dat Ans hem voor de gek hield. Ze riep van beneden: “Charles, eten klaar!” Hij kwam de trap af, ging aan tafel zitten… en vond een bordje warm water. Ans kon het niet inhouden van het lachen. “Nee joh, grapje. Eten is zo klaar.” En Charles lachte met haar mee.
Als de kinderen langskwamen—met aanhang, met kleinkinderen—begon Ans soms dagen van tevoren te koken. Ze maakte zoveel dat de tafel nauwelijks plek had voor de borden. Alles stond vol. Geuren vulden het huis. Smaak vulde de herinnering. En liefde vulde elk gerecht.
Want zo kookte Ans: niet alleen met kruiden, maar met hart.

December 1995. In haar zelfgebreide trui schept Ans het eten op voor Charles en Boy (links), met aan de andere kant van de tafel Jim en zijn vrouw. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Carla en is beschikbaar gesteld door Angela Verheul.
Draad voor draad
Als ze niet aan het koken was, dan was ze wel aan het breien. Of haken. Of allebei tegelijk. Ans had die vaardigheid geleerd in de oorlogsjaren, toen ze als jong meisje met weinig middelen toch iets wilde maken. Iets warms. Iets moois. En goed dat ze erin was—ze kon patronen uit haar hoofd breien, steken tellen zonder te kijken, kleuren combineren alsof het vanzelf ging.
Ondanks dat Charles bijna altijd zijn legerkleding droeg, breide Ans voor hem truien. Prachtige, dikke wollen truien, met kleurrijke patronen die niet achteraf werden opgenaaid, maar helemaal in het breisel verweven zaten. Met haar kromme vingers en haar stijve gewrichten deed ze het allemaal uit liefde. Voor Charles. Voor haar kinderen. En voor haar kleinkinderen.
Soms wees een van de kleintjes iets aan op televisie. “Oma, die trui is mooi,” zei er dan eentje. Ans keek mee, knikte, nam het in zich op—de kleur, de vorm, het patroon. En bij het volgende bezoek lag daar ineens een trui die er precies zo uitzag. “Hier,” zei ze dan met een glimlach, “jouw trui.”
Ze breide niet alleen truien. Ze maakte dikke winterse koltruien met opstaande kragen die je tot over je hoofd kon trekken. Heerlijk warm, net een deken die je om je schouders droeg. Ze breide sokken, wanten, zelfgemaakte jurken van stoffen die ze zelf had uitgezocht. De ladekast lag vol met bollen wol in elke kleur die je je kon voorstellen. Zelfs oude waspoedertonnen waren ermee volgestopt. Je wist maar nooit wanneer ze van pas zouden komen.
En dan waren er nog die drie-dimensionale pannenonderzetters: ronde, dikke dingen met een zacht driehoekpatroon aan de zijkant. Als er een hete pan op werd gezet, deukte de onderzetter helemaal in. En zodra die pan weer van tafel was, kneep ze er even in, trok eraan, boog het terug in vorm. Klaar voor de volgende maaltijd.
Want wat Ans maakte, was niet alleen praktisch. Het was duurzaam. Herbruikbaar. Doordrenkt met zorg. Elke steek een gebaar. Elke draad een herinnering.

Ans, thuis aan de Van Pijkerenlaan, omringd door kinderen en kleinkinderen op de dag van haar 25-jarig huwelijk met Charles. Op schoot: Nathalie en Robbert. Foto genomen op 16 januari 1976. Staand, van links naar rechts: Eddie, Sonja, Winny, Carla, Benny, Anneke, Bert, Joyce met Chantal, en Rudy.
Wat zij zag
Ans had een gave. Geen trucje, geen bijgeloof, geen verzinsel—maar een echte, stille gave. Ze zag dingen die anderen niet zagen. Mensen, vooral. Mensen die niet meer hier waren, maar nog wel iets kwamen zeggen. Iets kwamen vragen. En Ans luisterde. Soms sprak ze zachtjes terug. Tegen de muur, zo leek het. Maar voor haar stond daar iemand. En die iemand wilde gehoord worden.
Als ze zo stond te praten in de woonkamer, dachten sommigen misschien dat ze in zichzelf mompelde. Maar Ans wist beter. En zij die haar goed kenden, voelden dat ook. Mensen kwamen naar haar toe, zelfs als ze niets zeiden. Alsof haar aanwezigheid op zichzelf al iets openbrak, iets aanraakte wat niet bij iedereen toegankelijk was.
Toen ze jong was, had ze die gave stil moeten houden. In het Indië van haar jeugd, in een christelijk-Europees gezin, waren zulke dingen taboe. Haar moeder verbood het streng. Zulke ‘dingen’ zouden niet thuishoren bij nette mensen. Het was heidens, duivels, iets voor ‘inlanders’, werd er gezegd. Geen plek voor stemmen uit het onzichtbare in een wereld die de controle niet wilde verliezen.
Maar Ans liet zich later door niemand meer het zwijgen opleggen. Ze leerde dat haar gave geen last was, maar een kracht. Geen zonde, maar een zintuig. En het mooiste was: ze gaf het door. Aan kinderen. Aan kleinkinderen. Niet als iets dat opgelegd moest worden, maar als iets dat je in jezelf kon herkennen—als je goed luisterde. Elk op hun eigen manier leerden zij ermee omgaan. Soms open. Soms stil. Soms met vragen, soms met rust.
Want wat Ans zag, was groter dan woorden. Maar wie haar kende, wist: haar wereld was dieper dan die van de meesten. En ze was er nooit helemaal alleen in.
Zomers vol leven
De zomers in Oldebroek waren allesbehalve stil. Sinds Ans als eerste van de familie de archipel had verlaten, volgden haar broertjes Jim en Boy, en haar zusje Klein jaren later. De situatie in de jonge republiek werd onhoudbaar. En dus kwamen ze—met koffers vol herinneringen en kinderen op sleeptouw—richting Nederland.
Elke zomer spraken ze af bij Ans thuis. Eerst logeren op de camping, maar al snel werd de zolder van het huis in Oldebroek omgetoverd tot één groot matras, waar de hele meute sliep. Oom Jim kwam met tante Clara en hun kinderen Chris, Alice en Mike. Tante Klein met oom Peter en hun kroost: Henk, Barbara en Angela. En oom Boy met zijn vrouw Lucy en de kinderen Bianca en Ruud.
Terwijl Ans met haar broers en zus zat bij te praten, vlogen de kinderen naar buiten—ravotten in het gras, pijltjes schieten, of stiekem spelen op de bouwplaats achter de Kloklaan, waar toen nog nieuwe huizen werden gebouwd. Een paradijs voor avontuurlijke kleintjes. Oom Peter ging altijd mee, net zo fanatiek als de kinderen zelf. Tot er op een dag een bewaker opdook. “Wegwezen!” riep hij. Maar Peter, altijd met een knipoog, dook in zijn jaszak. “Wat als ik u een snoepje geef?” probeerde hij met een ondeugende grijns. De bewaker keek strak. “Nee, en nú weg!” Aangeslagen, maar giechelend, begon de groep aan de tien meter lange afmars terug naar huis. En ja hoor: weer kreeg oom Peter op zijn kop van de dames. Zoals altijd.

Kinderen van Ans en Charles. Achteraan staan, van links naar rechts: Sonja, Winny, Anneke en Joyce. Vooraan: Carla, Henk en Angela (kinderen van Klein), en Rudy. De foto komt uit het bezit van Ans dochter Carla en is beschikbaar gesteld door Angela Verheul.
’s Avonds werden de kinderen in bad gedaan, gewassen en in pyjama voor de televisie gezet. Om zeven uur stipt zette Charles de televisie aan, en dan verzamelde iedereen zich op de bank of op de grond rond de salontafel. In het weekend kregen ze er een lekker bakje chips bij. Als TopPop op tv was, schoven de stoelen aan de kant en begonnen de tantes te dansen—onder het gegrinnik van de kinderen en het goedkeurend toekijken van Charles en Ans. Niemand vond het gek om met z’n allen naar Sesamstraat of de Fabeltjeskrant te kijken. Ook de volwassenen deden mee. En als de kinderen eens gingen logeren bij tante Klein in Spijkenisse, dan stond er bij terugkomst uit de douche voor ieder kind een bakje tjemilan met drinken klaar. Altijd. Onveranderd. Zo bouwde zich een traditie op—van gedeelde tijd, van herhaling, van warmte.
Tot die traditie plots eindigde.
Tante Klein en oom Boy besloten met hun gezinnen definitief te vertrekken naar de Verenigde Staten—naar Vermont en Illinois, waar een nieuw leven op hen wachtte. Ans bleef achter. Vanaf dat moment was alleen haar broer Jim nog binnen reisafstand, in Heemskerk.
Jim moest vluchten toen Nederlands Nieuw-Guinea in de jaren 60 werd veroverd door Indonesië. Toen hij een Nederlands paspoort wilde aanvragen, moest hij bewijzen dat hij ‘Europees’ was. Maar hoe bewijs je iets dat anderen het recht hebben om te ontkennen? Hij moest op zoek naar een vader die hij nooit gekend had. En pas via zijn halfbroers en -zussen kreeg hij de bevestiging van zijn afkomst. Een man die ooit hun vader was, maar niet meer dan dat.
Ans had zelf ook wat contact met haar halfbroers en -zussen in Nederland, maar voelde zich nooit helemaal verbonden met hen. De afstand van hun jeugd was onoverbrugbaar, hoe vaak ze het ook probeerde. De onuitgesproken familiegeschiedenis hing als een mist tussen hen in. Ze waren vreemden, en toch verbonden door hetzelfde bloed. Twee werelden, en zij zat er tussenin.

Ans en Charles achter het huis aan de Van Pijkerenlaan 29 in Oldebroek in de jaren ‘90.
Oma’s bloemenweide
“Van jongs af heb ik dat: het stille verlangen, het zere heimwee naar iets dat ik niet omschrijven kan. Het verloren paradijs misschien?”
Tegen het einde van 1996 werd de kou in Nederland steeds voelbaarder voor Ans. Haar reuma, jarenlang gedragen met stille vastberadenheid, verergerde met iedere winterse dag die verstreek. De vochtige muren, de tocht die nooit verdween, de kou die door haar gewrichten kroop—alles herinnerde haar eraan hoe ver ze was van de warmte van haar jeugd.
Pijn werd haar trouwe metgezel. Haar handen, kromgetrokken door jarenlang breien, koken en zorgen voor haar dierbaren, bewogen nu alleen nog met moeite. De medicijnen die haar ooit verlichting hadden gegeven, eisten hun tol in stilte: langzaam raakten haar bloedvaten verstopt. Aderverkalking verborg zich diep in haar hart, zonder dat iemand het zag.
“Ik heb heimwee naar mijn bloemenweide het is daar mooi en zo wijds dat je het einde niet ziet, overal gras en daartussen bloemen en een ruisende wind die ermee speelt. Die enorme rust en stilte en het suizen van de wind om je heen. Zalig gewoon. Daar wil ik heen met mijn bloedjes van kleinkinderen, ik weet zeker dat ze het er heerlijk zullen vinden.”
Ze wist hoe ingewikkeld het was—hoe moeilijk het zou zijn voor haar kinderen om iets te voelen bij een heimwee dat ze nooit volledig hadden gekend.
“Heeft Ruud ook, hij zal het er nog moeilijk mee krijgen. Niet te ver zoeken, je afkomst.”
Afscheid
Op 3 januari 1997 werd Ans opgenomen in ziekenhuis De Weezenlanden in Zwolle. Omringd door familie, al droeg ieder van hen een eigen verdriet, boosheid of een stilte die nooit was doorbroken. Maar zij zweeg erover, zoals ze altijd had gedaan. Haar geneeskrachtige steentjes lagen op het nachtkastje naast haar bed, onaangeroerd. Soms hadden ze geholpen, soms niet, maar nu konden zelfs zij haar niet meer terugbrengen.
Ze gleed langzaam weg in een diepe slaap, tien dagen lang balancerend tussen bewustzijn en vergetelheid. Haar ademhaling werd steeds zachter, alsof ze zich voorzichtig terugtrok uit een wereld die haar zelden rust had gegund.
“Met hun mooie ogen kunnen ze je zo onbevangen aankijken... Jammer dat die onbevangenheid met het ouder worden verdwijnt. Veel dingen hoor, die je als kind hebt, verdwijnen als je groot bent. Je wordt gevormd door thuis, omstandigheden, om je heen, waar je soms zelf de hand niet in hebt.”
Op 13 januari 1997, drie dagen na haar zesenzestigste verjaardag, overleed Ans. In stilte, zoals ze had geleefd. Met haar verdween niet alleen een moeder en oma, maar ook een stukje identiteit dat altijd moeilijk te benoemen was geweest. Een Indisch verleden dat grotendeels verzwegen bleef, een geschiedenis die nooit helemaal kon worden doorgegeven.
“Daar sta je dan machteloos en ontredderd. Moeilijk hoor. Zoek niet de schuld altijd eerst bij anderen. Neem een grote spiegel en kijk erin.”
En toch had Angeline Amaly Jacobsz precies dat gedaan. Ze had in haar spiegel gekeken en zichzelf gevormd, telkens opnieuw. Ze had haar verleden achtergelaten in Indonesië, haar toekomst moeizaam opgebouwd in Nederland. Ze had gezorgd, gevochten, gelachen en liefgehad, altijd op haar eigen manier.
En nu—nu was ze eindelijk vrij.
Misschien stond ze daar, in haar bloemenweide. Waar de wind zachtjes speelde met het gras en bloemen wiegden in het licht. Waar het verleden geen pijn meer deed, waar stilte vrede was, en waar haar heimwee eindelijk tot rust kon komen. Ze was weer thuis.

