Deze film is gemaakt in in samenwerking met de Oorlogsgravenstichting, ter educatie van het wel geëerde publiek tijdens de Nationale Herdenking 15 Augustus 1945 op Ereveld Menteng Pulo, Jakarta. Geschoten op 24 juli 2025, gepubliceerd op 15 augustus 2025.
Op 4 mei zwijgen we, precies twee minuten. Twee minuten waarin namen zachtjes worden uitgesproken, herinneringen levend worden, en emoties hoog oplopen. Maar begrijpen we werkelijk wat we herdenken? Achter elke naam bevindt zich een compleet leven—vol dromen, liefde, geluk en uiteindelijk diep verlies. Elk gezin achtergebleven met een lege stoel, een stilte die nooit meer gevuld zal worden. Ook in onze familie.
Op 5 mei juichen we, vieren we onze vrijheid. Nederland werd bevrijd in mei 1945, maar voor ons moederland in de Oost was vrijheid nog maandenlang slechts een droom. Nederlandsch-Indië wachtte in pijnlijke onzekerheid tot 15 augustus 1945, gevangen in de greep van het Japanse Keizerrijk. Toen kwam eindelijk het moment waarop vrijheid weer mogelijk leek, maar het leed, de pijn en het verlies lieten zich nog lang gelden.
Deze pagina is gewijd aan de oorlogsslachtoffers en overlevenden uit mijn familie—en aan hun verhalen die te lang ongehoord bleven. Hier probeer ik de mens achter het slachtoffer terug te vinden, hen een gezicht te geven, een stem, een laatste herinnering. Omdat hun verhalen het verdienen gehoord te worden—zodat we nooit vergeten wat oorlog werkelijk inhoudt, en hoe kostbaar onze vrede is.
Vergeten fronten (1914–1918)
De loopgraven van Europa verslonden miljoenen levens. Jongens en mannen die ver van huis vochten in modder en duisternis. Maar één familielid maakte juist de tegenovergestelde reis. Lorenz Leo Thumann (1877–1915) verliet Europa, gedreven door moed of noodzaak, en sloot zich aan bij het beruchte Frans Vreemdelingenlegioen—een eenheid van buitenstaanders, vaak verloren zielen, die vochten voor een land dat niet het hunne was. Hij vocht onder een vreemde vlag op onbekend terrein. In Tonkin, nu Vietnam, vond hij zijn einde—ver van alles wat vertrouwd was. Hij stierf eenzaam in een strijd die nooit echt de zijne was, achterlatend slechts een naam en een echo van wat had kunnen zijn.
Verzet en vernietiging (1939–1945)
Charles Thumann (1893–1945) was geen man van grote woorden, maar van moedige daden. In de dichte bossen en heuvels van de Vogezen leidde hij een stil verzet tegen de Duitse bezetter, riskeerde elke dag opnieuw zijn leven om anderen te beschermen. Uiteindelijk werd zijn strijd ontdekt en zijn lot bezegeld. Charles werd afgevoerd naar concentratiekamp Monowitz, waar zijn leven op gruwelijke wijze eindigde in de gaskamers. Zijn lichaam werd hem afgenomen, maar zijn moed en verzet konden niet worden uitgewist. In zijn geboorteplaats Senones leeft zijn geest voort, vereeuwigd in het plein dat zijn naam draagt—Place Charles Thumann—een blijvende herinnering aan kracht en stille heldhaftigheid.
De bezetting van Indië (1942–1945)
Toen de Japanse troepen Nederlandsch-Indië binnenvielen, veranderde het leven van duizenden gezinnen in een oogwenk. Huizen werden leeggerukt, families abrupt uiteengereten, dromen verbrijzeld voordat ze konden bloeien. Iedereen met zelfs maar een zweem van Europees bloed werd als vijand beschouwd. Ze werden opgejaagd, vernederd, opgesloten, gemarteld—en velen nooit meer teruggevonden.
De Japanse bezetters kwamen niet alleen met wapens, maar met een ideologie: de 'Grote Oost-Aziatische Welvaartssfeer'. Een nieuwe orde waarin Azië enkel aan Aziaten toebehoorde. Voor Europese kolonisten en hun kinderen, die generaties lang een thuis hadden opgebouwd in de tropen, was geen plaats meer. Hun huizen werden geplunderd, hun identiteit gewist, hun bestaan ontkend. Alsof ze nooit hadden bestaan.
Ook onze familie werd hierin meegesleurd. Wat ze met liefde hadden opgebouwd, wat ze met hoop hadden nagestreefd—het werd allemaal weggevaagd in een allesverslindende storm van vernedering en geweld.
Dit zijn enkele van hun verhalen.
- Adolf Thümann (1924–1943)
Door de Japanners vermoord in het havenkamp van het infanteriekampement te Makassar. Zonder proces. Zonder genade. Adolf was pas negentien jaar oud. Zijn jeugd afgepakt door het verlies van zijn vader, zijn toekomst door de Japanners. - Benjamin Westhoff (1911–1942)
In Kendari op tirannieke wijze door de Japanners onthoofd tijdens de inval van Celebes. Geen schuld, geen verweer, alleen een zwaard en een bevel. Hij liet een gezin achter dat ineens zonder vader verder moest. Begraven op Ereveld Ancol.

Benjamin (Bob) Westhoff met zijn vrouw Ida Berthram en hun kinderen Paul Charles en Jeanny Aleida (Tjennie) Westhoff. Een zeldzaam moment van samen zijn, vastgelegd vlak voor de oorlog hen uiteen zou rukken. De foto is afkomstig uit het bezit van tante Tjennie en beschikbaar gesteld door haar dochter Patty.
- Christiaan Adolf Robert Sutherland (1897–1943)
Overleed op 46-jarige leeftijd onder Japanse bezetting. Zijn graf ligt buiten de erevelden - Eduard Ernst Mollet (1882–1945)
Gestorven op 7 juli 1945 met de vrijheid in zicht, maar onbereikbaar. Begraven buiten de erevelden. - Ferdinand Theodoor Thümann (1913–1943)
In Lawang vermoord door de Japanners. Een zinloos einde aan een leven dat nog moest beginnen. Dertig jaar oud, wees, geen kinderen, geen vrouw. Alleen broers om hem te missen. - Francis Duncan Jacobsz (1905–1945)
Na ruim drie jaar onmenselijke dwangarbeid aan de Birmaspoorweg raakte zijn lichaam op, zijn geest uitgeput. Hij bezweek aan malaria in het verre Siam. Begraven op Kanchanaburi Allied War Cemetery. Ontdek zijn levensverhaal hier.

Het graf van Francis Duncan Jacobsz op de Erebegraafplaats Kanchanaburi in Thailand (vak 3, rij A, nummer 30). Deze foto is geschoten op 7 oktober 2023 door zijn achterkleinzoon Jeffrey Thümann, auteur van dit verhaal.
- Leonard Hendrik Piet Zondag (1889–1945)
Hij ligt begraven op Ereveld Leuwigajah, samen met 5.180 anderen. - Willy Edmond Stavers (1920–1943)
Overleed aan een acute longontsteking in het krijgsgevangenenkamp van Fukuoka, Japan. De medicijnen waren er—maar de Japanners hielden ze voor zichzelf. Hij was pas 23. Begraven op Ereveld Menteng Pulo. - Lodewijk Napoleon de la Croix (1874–1945)
De oorlog was voorbij, maar zijn lichaam was al te ver gebroken. Verzwakt door jarenlange uithongering en mishandeling bezweek hij binnen een maand na de Japanse capitulatie. Begraven op Ereveld Kembang Kuning.
Kampen en overleven
De oorlog in Azië eindigde niet voor iedereen op 15 augustus 1945. Velen keerden terug, maar niet als dezelfde mensen. Wie de Japanse kampen overleefde, droeg de oorlog met zich mee—soms in littekens op het lichaam, maar vaker nog diep vanbinnen. Want hoe leef je verder na jarenlange vernedering, honger, dwangarbeid en de dood van kameraden? Hoe vind je vrede als je herinneringen vol zijn van geweld, angst en verlies?
Hun lichamen keerden huiswaarts, maar hun ziel bleef vaak achter—langs de Birmaspoorweg, in een cel in Singapore, of onder de rook van Nagasaki. De oorlog had hen niet alleen hun vrijheid ontnomen, maar ook hun onbevangenheid, hun dromen, hun stilte.
- Charles Jozef Thümann (1916–1999)
Drieënhalf jaar lang dwangarbeid onder Japanse terreur. Zijn rug droeg de sporen van zweepslagen, zijn voet een brandmerk. Hij kwam thuis, maar de oorlog bleef bij hem—als een schaduw die nooit verdween. Zwaar getraumatiseerd, voor het leven getekend.

Charles Jozef Thümann (rechtsonder) met zijn eenheid van het KNIL in Semarang, 1947. De wereld vierde vrede, maar voor hem bleef de oorlog doorgaan.
- Constance Johannes Bernardus Mollet (*1896)
Geïnterneerd in Bandoeng en later als dwangarbeider afgevoerd naar de Birmaspoorweg bij Kinsayok in Siam. - Deciré Westhoff (1909–1955)
Van zijn leven weten we weinig. Maar zijn graf op Ereveld Pandu zegt genoeg: ook hij droeg het gewicht van een oorlog die nog lang nawerkte. - Eduard Frits Mollet (*1899)
Van Bandoeng op Java naar Wanyai in Siam. Zijn pad was er één van gevangenschap, dwangarbeid en uitputting. - Eduard Notenboom (1885–1948)
Opgesloten in Soerabaja, afgebeuld langs de Birmaspoorweg bij Kinsayok. De oorlog was voorbij, maar de gevolgen werkten door. Hij stierf in 1948. Zijn graf ligt op Ereveld Kembang Kuning. - Ferdinand Mollet (*1924)
Geïnterneerd in Bandoeng en als dwangarbeider tewerkgesteld in Tandjong-Pagger, Singapore. Ver van huis, tegen zijn wil, onder Japanse terreur. - Francis Declonie Stavers (*1898)
Vanuit Malang gedeporteerd naar de hitte van Wanyai, waar hij onder dwang meewerkte aan een spoorlijn die meer doden kende dan meters. - Gerard Gerrit Mollet (*1923)
Vanuit Bandoeng afgevoerd naar Kanchanaburi, diep in het hart van de Birmaspoorweg. Hij zag dingen die zich met geen pen laten beschrijven. En hij droeg ze met zich mee—een leven lang. - Hendrik Constant Jozef Mollet (*1904)
Zijn oorlog begon in Bandoeng, maar de diepste sporen ontstonden in Non Pladuk. Daar, aan het begin van de Birmaspoorweg, begon ook zijn zwijgen. - Herbert Christiaan Charles Baier (1900–1957)
Vanuit Soerabaja weggevoerd naar Osaka, waar hij als dwangarbeider werkte in het koude hart van Japan. Zijn blik op foto’s verraadt wat hij nooit uitsprak—verbittering, pijn, het gewicht van wat hij zag. Toch bouwde hij na de oorlog een gezin op. Hij stond als getuige op de bruiloft van mijn oma. Hij overleefde, maar droeg het allemaal met zich mee—zichtbaar, stil, blijvend. - Herman Hendrik Mollet (*1904)
Vanuit de kampen in Bandoeng werd hij gedeporteerd naar het Japanse vasteland. Hij werkte onder dreiging, dwang en vernedering in de onverbiddelijke industrie van Yokohama. - Jan Thümann (1919–1981)
Als matroos op de Hr. Ms. Evertsen overleefde hij de Slag om de Javazee. Zijn schip werd geraakt, het achterste magazijn ontplofte, en de bemanning sprong van boord terwijl het achtersteven werd weggerukt. Wat volgde was geen bevrijding, maar gevangenschap. Hij werd krijgsgevangene van de Japanners en als dwangarbeider tewerkgesteld in Singapore. - John George Jacobsz (1910–1991)
Geïnterneerd in Bandoeng en als dwangarbeider tewerkgesteld in Singapore. - Jozef van den Doren (*1904)
Hij werd van zijn vrijheid beroofd in Bandoeng. Daarna gedeporteerd naar Nagasaki, waar hij onder dwang werkte in de staalfabriek van Mitsubishi. Daar, onder Japanse bewaking, sleet hij zijn dagen in uitputting—tot op een ochtend het onvoorstelbare gebeurde. De lucht scheurde open. De zon viel op aarde. Alles brandde. Jozef werd ooggetuige van de allereerste inzet van een atoombom. - Marino Johannes Mollet (*1914)
In Bandoeng werd hij gevangen gezet. In Kinsayok, diep in de jungle van Siam, werd hij tot dwangarbeid gedwongen aan de beruchte Birmaspoorweg. - Napoleon Adolfo Mollet (*1908)
In Thanbyuzayat begon zijn werk. Niet met gereedschap, maar met bevelen, slagen en angst. Als dwangarbeider aan de Birmaspoorweg droeg hij bielsen en stilte. Zijn vrouw bleef achter. De oorlog rukte hen uiteen. - Richard Oscar Mollet (1915–1966)
Vanuit Bandoeng werd hij gedeporteerd naar Sumatra, waar hij onder Japanse dwang werkte aan de Pakanbaroe-spoorweg—een lijn die nooit afkwam, maar wel duizenden levens kostte. Hij overleefde, maar de gestolen jaren kreeg hij nooit meer terug. - Richard Rudolf Mollet (*1919)
Hij werd geïnterneerd in Bandoeng en belandde als dwangarbeider in Kinsayok, diep in het hart van de Siamese jungle. - Rudolf Thümann (1918–1976)
Hij was de oom die kinderen betoverde met grappen en goocheltruucjes, maar achter zijn glimlach school het zwijgen van een getekend verleden. Geïnterneerd in Bandoeng, tewerkgesteld aan de Birmaspoorweg bij Kinsayok—een plek waar de menselijkheid afbrokkelde onder honger en zweepslagen. Na de oorlog hoopte hij op rust en een gezin. De liefde vond hij, de kinderen niet. En zelfs toen de vrede kwam, bleef het geweld: een mortiergranaat trof zijn straat in Tjimahi. Hij bleef lachen, geven, leven. Maar wat de oorlog van hem nam, kreeg hij nooit meer terug.

Oom Ruud (rechtsonder) en tante Stien (achter hem) proberen het gewone leven weer op te pakken, samen met kennissen aan de Djalan D.B.T. (nu Jalan Buntu) in Tjimahi, rond 1947. De foto werd gedeeld door William Verduyn Lunel—toen een buurjongen, nu een getuige van een vervlogen tijd. Zijn ouders staan ook op de foto.
- Willem Frederik Hauber (*1908)
In Bandoeng begon zijn gevangenschap. In Chungkai werd hij als dwangarbeider ingezet aan de Birmaspoorweg—in een broeierig kamp dat ‘zieken’ huisvestte, maar niemand echt genas. - William Neate Godfried Claasz (*1896)
Vanuit Soerabaja begon zijn afdaling. Geïnterneerd, gedeporteerd, en uiteindelijk tewerkgesteld aan de Birmaspoorweg in het dichte oerwoud van Thanbyuzayat in Birma.

Familie Thümann rond 1949. Van links naar rechts: Jack, Charles, Guus, Ruud en Jan. Vooraan zit Josina Akolo, Max, Meiske, en tante Ida. Oom Freddy was drie minuten te laat. Oom Ferry, Eduard en Adolf kwamen nooit meer thuis. Hun namen werden verzwegen, hun verhalen verdronken in stilte.
Zonder graf, zonder einde
Niet iedereen kwam thuis. Voor sommigen bleef de poort gesloten, de stilte eindeloos. Sommige namen verdwenen volledig—uit registers, uit herinneringen, uit de tijd. Geen graf, geen afscheidsbrief, geen zekerheid. Alleen een schrijnende leegte, en een naam die fluistert in familieverhalen en oude documenten, alsof hij elk moment opnieuw gevonden wil worden.
- Adolf Akollo (*1904)
Verdween zonder spoor. Geen graf, geen bericht, alleen een naam die blijft hangen in onze familiegeschiedenis. - Ezau Ruspanah (*1907)
Hij werd ontvoerd door de Japanners, maar nooit teruggebracht. - Marthen Akollo (*1909)
De stilte rondom hem is luid. Zijn verhaal werd nooit verteld—maar zijn afwezigheid spreekt.
De Bersiap en de nasleep (1945–1949)
Na de Japanse capitulatie dachten velen dat het ergste voorbij was. Maar voor duizenden families begon toen pas de volgende nachtmerrie: de Bersiap. In het machtsvacuüm dat ontstond, barstte een golf van geweld los—blind, woest en onvoorspelbaar. Inheemse jongeren, opgejut door woede, frustratie en jarenlange onderdrukking, keerden zich tegen alles wat koloniaal oogde.
Wat volgde was een rauwe strijd om onafhankelijkheid, waarin onschuldigen werden vermoord, huizen in brand gestoken en families uiteen gerukt. Voor velen was er geen verschil tussen schuld en afkomst—Europeaan zijn, Chinees, Armeens, of Indisch, was voldoende reden om te sterven.
- Eduard Thümann (1923–1946)
Hij groeide op zonder vader. Een jeugd vol leegte, een leven dat nauwelijks begonnen was. Tijdens de oorlog vluchtte hij naar Australië, en keerde na de bevrijding terug als militair—ingedeeld bij het Detachement Militaire Luchtvaart en later het 2e Veiligheidsbataljon op de 13e Vliegbasis in Padang. Maar op Sumatra vond hij geen vrede. Op de vliegbasis werd hij aangevallen door een gewelddadige groep jongeren, verblind door de woede van een land in opstand. Artsen probeerden hem nog te redden met een operatieve darmhechting, maar het was te laat. Hij was pas 23 jaar. Zijn enige ‘schuld’: het dragen van een Nederlands uniform.

Portret van Eduard Thümann in de jaren '40. Zijn broer Charles Jozef Thümann bewaarde het zijn hele leven—een stil gezicht in een fotoboek.

Het graf van Eduard Thümann (1923–1946) op Ereveld Leuwigajah in Cimahi, West-Java. Geschoten op 2 maart 2024 door Jeffrey Thümann—auteur van dit verhaal en kleinzoon van zijn broer.
- Freddy Westhoff (1908–1945)
Hij had een Javaanse moeder. Hij was getrouwd met een Javaanse vrouw. Maar dat was niet genoeg. Zijn Europese naam volstond om hem te veroordelen. Hij werd op beestachtige wijze vermoord door Indonesische extremisten—alsof zijn bloed, zijn liefde, zijn leven niets waard waren. Begraven buiten de erevelden. Geen eer, geen rust. Alleen onrecht. - Lodewijk Alexander de la Croix (1891–1945)
Hij was geen soldaat. Geen dader. Alleen een machinist in een suikerfabriek. Een man met een beroep, een ritme, een bestaan. Maar de revolutie spaarde niemand. Hij werd het slachtoffer van blinde haat—geen proces, geen verhaal, geen verdediging. Alleen een naam en een graf op Ereveld Pandu. - Maurits Martens Mollet (1887–1946)
Javaans van hart, Javaans van afkomst—al generaties lang. Alleen zijn naam bleef Europees. Dat was genoeg om hem te verwerpen. Zijn graf ligt buiten de erevelden, alsof zijn bestaan nooit écht mocht tellen.
Wat we doorgeven
Het was ruim dertig graden. De brandende tropenzon stond hoog boven Jakarta. En toch had ik kippenvel. Palmbomen bewogen loom in de warme lucht. In de verte klonk het razende verkeer van de stad. Maar op Ereveld Menteng Pulo stond de tijd stil. Tussen een oceaan van witte kruisen. Onder de klanken van de bugel.
Ik was daar niet toevallig. Ik was uitgenodigd om namens het Nationaal Veteranen Platform een krans te leggen. Samen met Vera de Vries, dochter van een veteraan. We kenden elkaar niet. En toch stonden we daar als bondgenoten. Twee mensen, twee lijnen door de geschiedenis. Onze handen vol bloemen. Onze ogen gericht op het monument.
Mijn opa, Charles Jozef Thümann, ligt hier niet. Maar zijn erfenis draag ik in mij. Hij overleefde de Birmaspoorweg. Zijn lichaam kwam thuis, maar zijn geest bleef achter. Toen ik mijn vader vertelde dat ik een krans mocht leggen, viel hij stil. En even later kwamen de tranen. “Je opa zou trots zijn,” zei hij zacht.
Wij, de kleinkinderen, zijn geboren in vrede, maar opgegroeid in echo’s. We zijn die tussengeneratie. Kinderen van ouders die weinig wisten, kleinkinderen van grootouders die zwegen. We leerden luisteren naar wat niet werd gezegd. We lazen tussen de regels. Zo zochten we naar gezichten op vergeelde foto’s. Naar namen op grafstenen. Naar sporen van levens die uitgewist leken.
En nu staan wij daar. Op plekken waar zij zwegen. Wij spreken. Soms met trillende stemmen. Soms in stilte. Soms alleen met een krans.
De ceremonie was ingetogen. Plechtig. Geen massale menigte, geen groots vertoon. Maar wél geladen met betekenis. De Nederlandse ambassadeur sprak. De defensieattaché. Vertegenwoordigers van de Indische Genealogische Vereniging, de Oorlogsgravenstichting.
De bugel blies. De Taptoe klonk. Twee minuten vol stilte. En toen: het Wilhelmus.
Toen ik daar stond, met mijn voeten in de tropische aarde en mijn ogen op het monument, voelde ik de breuklijn van de geschiedenis door mijn eigen lichaam lopen. De oorlog was nooit mijn oorlog, en toch draag ik hem mee. Niet als last, maar als opdracht. Want herdenken stopt niet bij stilte of ceremonie. Het leeft voort in wat we dóen met wat we weten. In hoe we doorgeven wat verzwegen werd. In hoe we antwoorden zoeken op vragen die te lang onbeantwoord bleven.
Misschien is dat uiteindelijk de kracht van onze tussengeneratie: dat wij zoeken waar anderen zwegen, spreken waar het pijn doet, en blijven herinneren. Ook als niemand meer kijkt.

Na afloop van de Dodenherdenking op Ereveld Menteng Pulo, 4 mei 2025. Met Vera de Vries, Maarten Fornerod (Indische Genealogische Vereniging), ambassadeur Marc Gerritsen (Koninkrijk der Nederlanden) en Evelien de Vink (Oorlogsgravenstichting). Fotografie door Miel van Hutten.

