Verhalen

Francis Duncan Jacobsz: Een spoor van herinneringen

Gepubliceerd door Jeffrey Thümann op 06 april 2025.
Laatst bewerkt op 17 mei 2026.

Luister naar dit verhaal

0:0070:43
Francis Duncan Jacobsz: Een spoor van herinneringen
Portret van Francis Duncan Jacobsz. Deze foto komt uit het bezit van Duncans dochter Klein en is beschikbaar gesteld door Bert Otterspeer.

Waar het spoor begint

De ochtendnevel lag als een zachte deken over het groene landschap van Pasoeroean, terwijl de eerste zonnestralen aarzelend over de horizon gleden. Het station was gehuld in stilte, slechts doorbroken door het verre gekraai van een haan en het fluisterende geritsel van palmbladeren in de wind. Tot een schelle stoomfluit de stilte doorkliefde.

Een dampige mist rolde sissend over het perron. IJzer kreunde tegen ijzer toen de locomotief voorbij denderde. Het scherpe geluid weergalmde tegen de verweerde muren van het station. Voor velen was dit het geluid van vooruitgang—van nieuwe verbindingen tussen dorpen en steden, van handel en hoop. Maar voor hém betekende het meer. Voor hem werd dit geluid het ritme van zijn leven. Een leven dat zich zou ontvouwen langs deze sporen. Een lot dat met elke slag van het staal dieper werd ingegrift.

Zijn wereld was toen niet groter dan de geborgenheid van een zachte deken en de warme klank van zijn moeders stem. Maar op een dag, in een tijd die nog moest komen, zou hij zelf over deze rails reizen. Van het ene station naar het andere. Van jongen naar man. Van vrijheid naar gevangenschap. De sporen zouden hem leiden van de zoete geur van birken- en rozenzeep naar de doordringende stank van bloed en verderf langs de Birma-spoorlijn.

De fluit klonk opnieuw. Ditmaal als afscheid. Een trein gleed weg uit Pasoeroean. Zijn wielen ratelden ritmisch over het spoor—dieper het binnenland van Java in. Het staal zong een lied van belofte en verlies. En ergens, voorbij de horizon, wachtte een ander eindstation.

Tussen koffers en wiegen

Het huis van de familie Jacobsz in Pasoeroean, witgekalkt en omgeven door wuivende palmen, stond aan een stoffige weg die leidde naar de spoorlijn. Hier, waar treinen nooit lang bleven en de golven de kust eeuwig herschreven, begon op 20 augustus 1905 het leven van Francis Duncan Jacobsz (Doh).

Hij was één van de vele kinderen van Johan Hendrik Jacobsz en Wilhelmina Cornelia Cécilia de la Croix. Met een spoorwegbeambte als vader kende zijn jeugd geen vaste grond. De familie leefde uit koffers, trok van station naar station en noemde telkens een nieuwe plek ‘thuis’—tot het weer tijd was om te vertrekken.

Maar niet alleen het voortdurende verhuizen liet zijn sporen na—ook verlies tekende het gezin. Van de elf kinderen overleden er vier op jonge leeftijd. Duncan leerde als kind al dat verlies geen zeldzaamheid was, maar een onontkoombaar onderdeel van het leven.

Een huis vol grenzen

Thuis was de werkelijkheid van de kolonie minder zichtbaar, maar nooit afwezig. Duncan groeide op met inlandse bedienden die kookten, schoonmaakten en op de kinderen pasten. Een Javaanse baboe met een zachte stem en eindeloos geduld wiegde Duncan in slaap met oude Indische sprookjes. Javaans en Maleis klonken in huis even vertrouwd als Nederlands.

Toch betekende die vermenging niet dat er geen grenzen waren. Integendeel. De onzichtbare lijnen tussen ‘Europeaan’, ‘Indo’ en ‘inlander’ liepen óók door hun huis, al waren ze subtieler dan op straat of op school. De baboe die Duncan in slaap wiegde, deed dat niet uit moederliefde, maar omdat zijn vader haar loon betaalde.

Misschien zocht hij daarom houvast in wat geen verschil kende: muziek, natuur, stilte. Zijn viool was een metgezel in een leven dat nooit stilstond. En net zo vaak trok hij eropuit, het oerwoud in, luisterend naar het gefluit van vogels en het suizen van de wind door de bomen. In de natuur vond hij al vroeg een vrijheid die nergens anders bestond. Een wereld zonder grenzen. Zonder hiërarchie.

Johan Hendrik Jacobsz met zijn echtgenote Wilhelmina Cornelia Cécilia de la Croix (ca. 1920–1930).jpeg
Duncans ouders Johan Hendrik Jacobsz en Wilhelmina Cornelia Cécilia de la Croix (ca. 1920–1930). De foto komt uit het bezit van Duncans dochter Meiske en is beschikbaar gesteld door Martin Boon.

De geur van vakmanschap

De overgang van jongen naar man voltrok zich voor Duncan niet in één dramatisch moment. Maar in de geleidelijke routine van werk en verantwoordelijkheid. Terwijl hij als jonge man zijn eerste stappen zette in de werkende wereld, werd zijn leven steeds meer bepaald door de geur van shampoo, colognes, en etherische oliën.

Na zijn schooltijd begon Duncan zijn carrière als handelsemployé, een gebruikelijke stap voor Indische jongeren die probeerden een goede maatschappelijke positie te verkrijgen. Maar zijn toekomst lag niet in de handel. Rond 1926 vond hij in zijn vroege twintiger jaren een baan bij N.V. Parfumerie- en Toiletzeepfabriek Georg Dralle—een prestigieuze Duitse firma die zich had gevestigd in Nederlands-Indië. De fabriek, die luxe geparfumeerde zeep produceerde, was een bloeiende onderneming in een kolonie waar Europese elegantie en hygiëne hoog in het vaandel stonden.

Zijn eerste standplaats was Garoet—een koelere bergstad in de Preanger. ’s Ochtends tintelde de lucht van koele nevel die langzaam optrok tussen de theevelden. En in de fabriek mengde die frisse berglucht zich met de bittere prikkeling van Eau de Quinine en het zachte stuifsel van talkpoeder—Duncans eerste kennismaking met de wereld van geur en chemie. Hij begon als eenvoudige fabrieksmedewerker, maar zijn toewijding en scherpzinnigheid bleven niet onopgemerkt.

Van leerling tot meester

In 1929 werd Duncan samen met zijn broer, George Albertus Jacobsz, overgeplaatst naar de hoofdvestiging van Dralle in Soerabaja. ‘s Ochtends, bij aankomst in de fabriek, knoopte hij zijn iets te grote, licht katoenen werkschort dicht. De geur van alcohol en citrusolie trok er langzaam in—nestelde zich in zijn handen, zijn kraag, zijn geheugen.

Duncan hield niet alleen toezicht op de productie; hij roerde, woog en telde mee. Colibri Eau de Cologne, Vinagre Keimtot, verfrissende haarlotions—elke formule kende hij van binnen en van buiten. Hij leerde geuren lezen als muziek. Hij herkende onbalans in één snuif en wist precies wanneer een druppel te veel een hele partij kon bederven. Hij perfectioneerde recepten druppel voor druppel, tot zelfs de lucht in het laboratorium een symfonie werd van lavendel, citroen en lupine.

Het meest geliefde product waar hij aan werkte, was het verkoelende birkenhaarwater dat verademing bracht op zwoele dagen. Een frisse geur, helder als ochtendlicht, die het haar liet glanzen en het hoofd even deed vergeten hoe warm het was in de tropen.

Duncan zag zichzelf niet als een radertje in een systeem, maar als een geurensmid. Iemand die mensen even iets moois kon geven. Iets zachts, iets lichters. Het was niet de goedkeuring van klanten of bazen die hem het meest raakte. Het waren de glimlachjes van kinderen. Dáárin zat zijn trots. Dáárin vond hij betekenis.

​​Luchtfoto van de N.V. Parfumerie- en Toiletzeepfabriek Georg Dralle in Soerabaja, circa 1935. Bron Leiden University Libraries (KITLV 43203).jpg
​​Luchtfoto van de N.V. Parfumerie- en Toiletzeepfabriek Georg Dralle in Soerabaja, circa 1935. Bron: Leiden University Libraries (KITLV 43203).

De geur van vrijheid

Bij de fabriek stond de nieuwe voorraad monsters al klaar. Kleine potjes rozenzeep, lavendelcrème en geurige lotions die nooit in de schappen zouden belanden. Te klein om te verkopen, te veel om weg te gooien. Duncan vond dat zonde. Hij knikte naar de jongens van de expeditie en stapelde de kratten één voor één op de achterbank van zijn Ford—meer dan hij zelf nodig had, maar hij wist precies waar ze naartoe gingen.

Tegen de tijd dat hij zijn straat in reed, zagen de buren hem al aankomen. Ze staken hun hand op of glimlachten stilletjes; ze wisten precies hoe laat het was. Nog voordat hij zijn auto goed en wel had geparkeerd, kwamen de kinderen toegestroomd, op blote voeten, giechelend, met hun handjes uitgestrekt. Duncan tilde het rammelende krat voorzichtig uit de auto en zette het neer op de grond. Eén voor één kregen de kinderen een zeepje of flesje aangereikt. Rozen, lavendel, jasmijn—het rook even alsof de tropenzon plaats had gemaakt voor een bloemenveld. Sommige draaiden het dopje er meteen af en snoven nieuwsgierig aan de geur. Anderen hielden het potje vast alsof het een kostbare schat was. En Duncan? Zijn glimlach sprak boekdelen.

Het was een leven om trots op te zijn—zijn werk bracht hem niet alleen financiële stabiliteit, maar gaf hem ook iets wat hij lang had gemist: een vaste plek in de samenleving. Voor het eerst droeg hij verantwoordelijkheid, werd hij herkend en gerespecteerd.

Een huwelijk in rook gehuld

Duncan was vierentwintig jaar toen hij op 22 augustus 1929 trouwde met Alexandrien Frederique Westhoff (Rien)—een jonge Indo-Europese vrouw van zestien jaar. Hun eerste kind was toen al onderweg. Het huwelijk volgde sneller dan misschien ooit bedoeld was. In katholieke families werd er dan niet getwijfeld: men trouwde. Geen grootse liefde, maar een plichtsgetrouw begin—zoals dat hoorde in die tijd.

Het huwelijk voltrok zich in Soerabaja, de stad die Duncan inmiddels als zijn thuis beschouwde. De statige huizen van de Europese elite, de bedrijvige markten waar Javanen, Chinezen en Arabieren zich verdrongen, en de geur van kruiden en rijp tropisch fruit die zich mengde met de zilte lucht van de haven—het was een stad van contrasten. En in dat decor begon zijn gezinsleven.

Met de komst van hun eerste kind, Ursula Renaldine Jacobsz, in januari 1930, veranderde alles. Vanaf het moment dat hij haar voor het eerst vasthield, voelde Duncan iets vreemds ontwaken—een gevoel van kwetsbaarheid dat hij nog niet kende, maar ook een diepe trots die hem verraste. Vader zijn bleek een rol die hem tegelijkertijd vertrouwd en onwennig voorkwam. Hij hield haar voorzichtig tegen zich aan, neuriede liedjes die hij zelf lang geleden had gehoord en verbaasde zich telkens opnieuw over haar kleine handjes die zich om zijn vingers sloten.

Maar het geluk bleek broos, alsof het van begin af aan niet voor hem bestemd was. Nog geen vier maanden na haar geboorte werd het stil in huis. Ursula was er plotseling niet meer, waarschijnlijk bezweken aan een tropische ziekte, zoals dat in Indië zo vaak gebeurde: onverwacht, stilletjes, onontkoombaar. Waar haar stem had moeten klinken, heerste nu alleen nog leegte. Duncan, gewend aan het kabaal van machines en het ronkende ritme van de fabriek, voelde zich verloren in de stilte. Hij liep door kamers die plotseling te groot en te kil leken, op zoek naar iets om vast te grijpen. Hij was altijd een man geweest die problemen met zijn handen oploste—maar tegen de dood stond hij machteloos.

Toch gaf het leven zich niet gewonnen. Angeline Amaly Jacobsz (Ans) werd geboren op 10 januari 1931, James Eugèn Jacobsz (Jim) op 10 februari 1932, Cornelia Roswita Jacobsz (Klein) op 4 september 1934. Met elk nieuw kind groeide de verantwoordelijkheid, en Duncan probeerde zich te voegen naar het leven van een vader. Zijn dagen werden gevuld met werk in de fabriek, zijn avonden met het gezinsleven. Maar telkens wanneer de fabriekspoorten zich sloten en hij de verfijnde geuren achter zich liet, voelde hij de beklemmende regelmaat van het dagelijks bestaan.

Diep vanbinnen bleef hij de man die altijd verlangde naar iets meer dan routine. De houvast waar hij ooit naar zocht, voelde steeds vaker als een keten. Hoeveel erkenning hij ook kreeg, de echte ademruimte vond hij niet thuis en niet in de fabriek, maar in de snelheid van zijn motor en de stilte van het ongetemde oerwoud. Geen parfum kon de geur van modder en zweet overstemmen. Alleen daar, waar hij niets hoefde te bewijzen en niemand hoefde te zijn, vond hij zijn ademhaling terug in zijn eigen ritme.

Links Rien met Duncans arm om haar heen. Rechts Riens pleegmoeder, Lucia Elisa Westhoff, met Ursula of Ans op schoot. In het midden zitten vermoedelijk Duncans zussen.jpg
Links: Rien met Duncans arm om haar heen. Rechts: Riens pleegmoeder, Lucia Elisa Westhoff, met Ursula of Ans op schoot. In het midden zitten vermoedelijk Duncans zussen: Hermien Elisabeth Jacobsz (Mimi) en op de voorgrond Wilhelmina Hendrika Jacobsz (Niekke). De foto komt uit het bezit van Duncans dochter Klein en is beschikbaar gesteld door Bert Otterspeer.

Een leven in scheuren

Het begon met een fluistering, een gerucht dat zich als een vlam door de gangen van de fabriek verspreidde. De naam Dralle was tot dan toe synoniem geweest met kwaliteit en verfijning, maar in 1934 kwam de parfum- en zeepfabriek onder vuur te liggen. Er werd gefluisterd dat er methylalcohol werd gebruikt om accijns te ontduiken, een beschuldiging die een smet wierp op het zorgvuldig opgebouwde imago van het bedrijf.

Duncan, inmiddels laborant, voelde de spanning in de lucht. De laboratoria, normaal gevuld met de geur van etherische oliën en bloemenextracten, ademden nu onrust en achterdocht. Chemici en inspecteurs onderzochten elk mengproces, elke fles geparfumeerd water, op zoek naar bewijzen van fraude. De arbeiders keken over hun schouder, fluisterden in kleine groepjes, bang om betrokken te raken bij een schandaal dat hun broodwinning kon kosten.

Toen de waarheid aan het licht kwam, bleek dat het geen opzet was geweest. Bij de menging van etherische oliën kon methylalcohol spontaan ontstaan, zelfs zonder het gebruik van gedenatureerde alcohol. Het was een natuurkundig proces, geen samenzwering. Voor Duncan en zijn collega’s was het een eureka-moment, een wetenschappelijke ontdekking die hen vrijpleitte. Maar de schaduw die over de fabriek was gevallen, trok zich niet zomaar terug. De economische crisis die vanuit Europa en Amerika was doorgedrongen tot de kolonie, maakte de situatie nog brozer. Grondstofprijzen daalden, winstmarges stonden onder druk. Elk gerucht, elk foutje kon het verschil maken tussen behoud en ontslag. Dralle had reputatieschade opgelopen, en hoewel Duncan geen directe schuld droeg, voelde hij de impact ervan in zijn dagelijkse leven.

En alsof dat nog niet genoeg was, volgde enkele jaren later een nieuwe klap. Na de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 werd de zeepfabriek, als voormalig Duits eigendom, door de Nederlands-Indische regering onder bewind gesteld. Een officiële mededeling verscheen in de krant: Dralle zou voortaan doorgaan als een "zuiver Nederlandsch-Indisch bedrijf." Voor de buitenwereld een geruststelling. Voor Duncan betekende het dat zijn werk voortaan viel onder toezicht van het koloniale gezag, in een klimaat dat steeds meer werd bepaald door oorlog en wantrouwen.

Mededeling uit het Soerabaijasch handelsblad van 20 mei 1940 waarin wordt aangekondigd dat Dralle onder Nederlands-Indische bewindvoering is geplaatst..png
Mededeling uit het Soerabaijasch handelsblad van 20 mei 1940 waarin wordt aangekondigd dat Dralle onder Nederlands-Indische bewindvoering is geplaatst.

De spanning van de fabriek droeg hij mee naar huis. Maar daar wachtte hem geen rust. Zijn huwelijk met Rien was veranderd in een strijd tussen verplichting en verlangen. Net zoals de arbeiders in de fabriek over hun schouder keken, keek ook hij steeds vaker naar iets buiten zijn eigen leven—iets of iemand anders.

De overkant

In deze leegte verscheen Everine Juliana Rommers—het buurmeisje van de overkant. Ze was zestien, met een open lach en een blik waarin iets lag wat Duncan lang had gemist—lichtheid, onschuld, ontsnapping. Wat begon als een onschuldige verstandhouding, groeide uit tot een affaire die uiteindelijk onvermijdelijk aan het licht kwam. In de zomer van 1934 werd Everine zwanger. Toen hun zoon Duncan Fransis Jacobsz (Frans) op 16 april 1935 werd geboren, was de waarheid niet langer te verbergen.

Rien was woedend. De breuk was definitief. Hoewel ze vier maanden zwanger was van hun laatste kind, werd de scheiding op 21 december 1935 onverbiddelijk in gang gezet. Vijf maanden later beviel ze van Roelof François Jacobsz (Boy), het laatste kind uit haar huwelijk met Duncan. Maar tegen die tijd was alles al verloren.

Alsof het universum de vernietiging van zijn oude leven compleet wilde maken, sloeg het noodlot opnieuw toe. Op 28 december 1935 overleed zijn moeder, Wilhelmina Cornelia Cécilia de la Croix. Tien maanden later, op 17 oktober 1936, verloor hij ook zijn vader, Johan Hendrik Jacobsz.

Zijn huwelijk was voorbij. Zijn ouders waren begraven. Zijn gezin was uiteengerukt. En zijn toekomst was onzeker. Alles wat ooit had gekend, lag gebroken aan zijn voeten.

Een huis vol leven, een hart vol stilte

Zijn eerste huwelijk was voorbij, zijn ouders waren gestorven, zijn reputatie lag in duigen. En toch ging het leven verder. Op 16 april 1936 trouwde hij met Everine, en samen begonnen ze aan een nieuw leven in Sepandjang, een dorpje bij Sidoardjo ten zuiden van Soerabaja. Hier vonden ze een groot huis met een uitgestrekte tuin.

Zijn eerste huwelijk met Rien had hem stabiliteit moeten geven, maar werd steeds meer een strijd—een gevecht tussen verantwoordelijkheid en vrijheid, tussen plicht en verlangen. Rien was plichtsgetrouw, scherp op reputatie, en vasthoudend aan de normen van de koloniale samenleving. Ze had orde nodig, structuur. Een man die zijn rol vervulde, die thuis kwam op vaste tijden, die zijn gezin boven alles stelde. Duncan probeerde in dat plaatje te passen, maar voelde zich steeds vaker gevangen. Hij hield van zijn kinderen, maar de verwachtingen die op hem drukten voelden als een keurslijf waar hij zich moeilijk in kon bewegen.

Er was geen duidelijk moment waarop alles kantelde, geen bewuste keuze om een grens over te steken. Misschien was het een blik die iets te lang bleef hangen. Een gesprek dat lichter voelde dan thuis. Een moment waarin hij vergat wat hoorde en wat niet. Misschien was het de jeugdige vrijheid die Everine uitstraalde, de manier waarop ze niets van hem verwachtte behalve dat hij gewoon was wie hij was. Of misschien was het slechts toeval, een samenloop van omstandigheden die in een ander leven nooit was gebeurd. Wat het ook was, op een dag was er geen weg meer terug.

Hun relatie begon in chaos, in schuld en schande, maar in de nasleep ervan vond hij ook iets dat nieuw voelde: ruimte om adem te halen.

Het gezin van Duncan en Everine groeide snel. Silvia Magdalena Jacobsz (Meiske) werd geboren op 19 september 1936, gevolgd door Irene Beatrice Jacobsz (Iertje) op 28 november 1937, Egmond Wladimir Jacobsz (Eggie) op 3 november 1938, Marcella Rosalina Jacobsz (Marcel) op 30 maart 1940 en Florence Virgine Jacobsz (Floortje) in 1941. Hun huis was nooit stil. Er was leven, reuring, en een andere sfeer dan hij gewend was. Hier geen verstikkende stiltes of onuitgesproken verwijten, maar een meer ongedwongen manier van samenleven. Everine was geen vrouw die hem vastgreep—zij liet hem bewegen, en misschien was dat precies wat hij nodig had.

De kinderen van Duncan en Everine, van links naar rechts Eggie, Iertje, Marcel, Meiske en Frans.JPG
De kinderen van Duncan en Everine, van links naar rechts: Eggie, Iertje, Marcel, Meiske en Frans. De foto komt uit het bezit van Duncans zoon Frans en is beschikbaar gesteld door Frank Victor Boon.

Het ritme van Sepandjang

Het huishouden draaide op zes Javaanse bedienden, die elk een eigen taak hadden. Kastawi, de jonge tuinman, hield de uitgestrekte tuin in perfecte staat, geholpen door een hulpje dat hem bijstond bij het snoeien en bewateren. In de keuken kookte een meisje, een ander deed de was. Een derde hield het huis schoon, en een vierde zorgde voor de kinderen. Het huis was een wereld op zich, waar iedereen een rol speelde en het leven op rolletjes liep.

Elke ochtend reed Duncan met zijn Ford naar het werk, een rit die hem door de stoffige straten van Sepandjang naar de fabriek in Soerabaja bracht. Maar het waren de momenten bij thuiskomst die hem deden lachen. Zodra de auto de oprijlaan op draaide, stond Kastawi al klaar. Zodra Duncan vaart minderde, sprong de jonge tuinman grijnzend achterop de auto en liet zich een stuk meeslepen, lachend om de opwervelende stofwolken achter zich. Het was een klein dagelijks ritueel, een spel dat iets speels hield te midden van de dagelijkse routine.

De grote tuin was een plek van vermaak en avontuur. Hier konden de kinderen en logees zich uitleven, tussen de bloeiende planten en de hoge bomen waarin soms een aapje of een varaan werd gespot. Maar het waren de honden die het terrein echt domineerden—zes stevige beesten, getraind voor de jacht én om het huis te bewaken. Wanneer de schemer viel, trokken ze instinctief naar de randen van het erf, oren gespitst, wachtend op de geluiden van de nacht. Overdag renden ze achter de kinderen aan of speelden ze in de schaduw van de veranda, een ruwe maar trouwe aanwezigheid in het gezin.

Zijn huis stond ook open voor anderen. Tijdens de grote schoolvakanties was het huis nog voller. Jongens uit het weeshuis Don Bosco kwamen logeren, stadse kinderen die weinig gewend waren aan het buitenleven. In de eerste dagen waren ze verlegen, onwennig in het grote huis, maar al snel vingen ze vissen in de rivier, joegen ze elkaar door de tuin en vochten speels met de honden om een plek in de schaduw. Het huis vulde zich met stemmen, met gelach, met de levendigheid die Duncan ergens anders moest missen.

Juist in die vrolijke drukte voelde Duncan het aan zich knagen—een stil verdriet dat nooit helemaal verdween. Zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk waren vlakbij, maar toch onbereikbaar. Hun stemmen klonken niet door het huis, hun gezichten waren alleen herinneringen die langzaam verbleekten. De afstand was kort, maar de kloof tussen hen leek met elke dag te groeien. Hij wilde ze vasthouden, ze horen lachen, gewoon weten hoe het met ze ging—maar het mocht niet.

En dus speelde hij viool. Soms klonk er een tweede stem, die van zijn zus Hermien Elizabeth Jacobsz (Mimi), maar meestal speelde hij alleen, in de stilte van de avond. Zijn favoriete stuk—Serenata Rimpianto Op. 6 No. 1 van Enrico Toselli—was een weemoedig refrein dat zijn stilte vulde wanneer woorden tekortschoten. Muziek bood hem troost, een plek waar de tijd oploste en herinneringen niet langer pijnlijk waren. Even ontsnapping aan een leven dat zich tussen geluk en gemis bewoog.

Francis Duncan Jacobsz met zijn zusje Hermien Elizabeth Jacobsz (ca. 1920–1930).jpg
Francis Duncan Jacobsz met zijn zusje Hermien Elizabeth Jacobsz (ca. 1920–1930). De foto komt uit het bezit van Duncans dochter Meiske en is beschikbaar gesteld door Martin Boon.

Vrijheid op wielen

De geur van benzine en olie hing in de lucht terwijl Duncan het stuur stevig in handen hield. Onder hem dreunde de motor—geen explosie van snelheid, maar een onverzettelijke kracht. Zijn hoofd was slechts bedekt met een leren kap, zijn ogen verscholen achter een bril met dikke glazen—zoals een piloot, klaar voor wat het avontuur hem toewierp. Voldoende tegen stof en wind, maar niet tegen de val.

Zijn oude Excelsior, een taaie Britse eencilinder, pruttelde trouw door het Javaanse landschap, gehard door modderige binnenwegen en tropische regens. Het starten ging niet altijd zonder moeite—de kickstarter kon koppig terugslaan, en het vochtige ochtendweer maakte hem soms nukkig. Maar eenmaal op gang was het een betrouwbare metgezel. Geen racemonster, wel een machine die hem bracht waar hij wilde zijn.

Op zijn AJS voelde het anders. Die liep soepeler, trok sneller op, en nam moeiteloos de steile hellingen van het binnenland. Maar snelheid was nooit de essentie. Deze motoren waren er niet om te vluchten, maar om te voelen—om het landschap te ervaren in elke trage verbrandingsslag, als een ritmisch verlengstuk van zijn ademhaling.

Duncan reed vaak alleen. Maar soms, in de vroege ochtendzon, reed hij zij aan zij met Ben van der Jacht—zijn trouwe jeugdvriend uit Soerabaja met wie hij een stille broederschap deelde. Ze hadden dezelfde honger naar avontuur, dezelfde drang om de kaders van het dagelijkse leven achter zich te laten.

Op zondagochtenden, terwijl de stad nog sliep, gleden ze samen over kronkelende wegen, de motoren diep brullend onder hen. Zijn wielen groeven zich in het losse zand terwijl hij onder hoge palmbomen doorreed. Ze trokken door bergen, langs vulkanen en plantages, zonder een vaste bestemming. Alleen de horizon bepaalde de richting.

Het stof van de ongeplaveide wegen dwarrelde in hun kielzog omhoog en vervaagde in de brandende zon. De wind in hun gezicht, de geur van vochtige aarde en warme benzinedampen om hen heen—dit was vrijheid. Geen vlucht naar snelheid, maar een reis zonder haast. Ze reden niet om ergens aan te komen, maar om even nergens te zijn.

Duncan zit voorop zijn motor, trots en vastberaden. Achter hem Everine, zijn jachtgeweer in haar hand. Naast hen zijn kameraad met zijn vrouw.JPG
Duncan zit voorop zijn motor, trots en vastberaden. Achter hem Everine, zijn jachtgeweer in haar hand. Naast hen zijn kameraad met zijn vrouw. De foto komt uit het bezit van Duncans zoon Frans en is beschikbaar gesteld door Frank Victor Boon.

Een pauze in de schaduw

Wanneer de zon hoger klom en de hitte zich als een onzichtbare last op hun schouders legde, zochten ze beschutting onder de brede kruin van een waringinboom. Daar, in de schaduw, lieten ze zich zakken op de gevlochten wortels en haalden een verse doerian tevoorschijn—recht uit de natuur geplukt. Met hun zakmessen sneden ze de stekelige schil open, onthulden het romige, goudgele vruchtvlees en aten met de gulzigheid van mannen die het moment volledig omarmden.

De geur—zwaar, zoet en bijna bedwelmend—mengde zich met het aardse aroma van de jungle en het droge stof dat in de middagzon boven het pad bleef hangen. In de stad zou het geweerd worden: hotels, taxi’s en treinen hingen vol ‘verboden’-bordjes. Maar hier, onder de waringin, hoorde het thuis. Voor Duncan en Ben was het geen stank, maar een belofte—van vrijheid, van eenvoud, van het land zelf.

Het was een van die eenvoudige genoegens van het tropisch bestaan: de doerian op de tong, de verkoeling van de schaduw, en het vooruitzicht van een lange rit over slingerende zandwegen. Zonder haast. Zonder bestemming. Alleen de weg voor hen, en het onbekende dat zich boog achter elke bocht.

Links Duncans kameraad Ben met zijn vrouw. Rechts Duncan met Everine, samen genietend van doerian..JPG
Links: Duncans kameraad Ben met zijn vrouw. Rechts: Duncan met Everine, samen genietend van doerian. De foto komt uit het bezit van Duncans zoon Frans en is beschikbaar gesteld door Frank Victor Boon.

Het oerwoud fluistert

De vrijheid die Duncan zocht, vond hij niet alleen op wielen. Zijn avontuurlijke geest dreef hem verder, weg van de wegen, dieper de wildernis in. Waar de paden ophielden en alleen de jungle overbleef, voelde hij zich net zo thuis als op zijn motor—misschien zelfs meer. De geur van benzine maakte plaats voor vochtige aarde en natte bladeren, het gebrul van de motor voor het gefluit van vogels en het geritsel in het struikgewas.

Met zijn Mauser-jachtgeweer in de hand trok hij het oerwoud in—ogen scherp, ademhaling kalm. Jagen was voor hem geen sport, maar een manier om één te worden met de natuur. Hij kende de sporen van de dieren, wist wanneer ze zich bewogen en hoe ze zich verplaatsen—vaardigheden die hij als jongen al leerde.

In de buik van de rivier

Zijn reputatie als jager verspreidde zich al snel. Wanneer een krokodil te dicht bij de kampong kwam, wendden de dorpelingen zich tot hem. De rivier, een levensbron en gevaar tegelijk, eiste regelmatig slachtoffers. Vrouwen wasten hun kleren langs de oever, kinderen speelden in het water—tot een plotselinge aanval de gemeenschap opnieuw op scherp zette. Elke jacht betekende een stukje veiligheid.

De jacht begon toen de zon achter de bomen verdween en de schemering de rivier bedekte. Overdag waren de krokodillen te alert, te goed gecamoufleerd in het troebele water. Bij het vallen van de nacht laadde Duncan zijn karabijn, sprong achter het stuur van zijn Ford en reed met Everine en hun trouwe huisbediende Kastawi naar de rivier. Everine zat voorin, naast Duncan. Kastawi zat achter op het bagagerek, zoals gebruikelijk—een plek die weinig zei over zijn trouw, maar veel over hoe de wereld toen was ingericht.

Eenmaal aangekomen bij de kampong huurde Duncan een prauw, een smalle houten boot die traag wiegde op het water. Twee roeiers, ervaren vissers uit de kampong, namen plaats en keken zwijgend naar de rivier. Hun blote voeten rustten op het vochtige hout, hun handen gleden beheerst over de roeispanen. Ze wachtten in stilte, hun blikken naar het water gericht, tot Duncan hen het teken gaf om te vertrekken.

Everine zat schuin achter hem met een krachtige zaklamp in haar handen. De prauw gleed geruisloos vooruit. Duncans hart bonsde in zijn borst, zijn vingers klemden zich om het koele metaal van de Mauser. De duisternis was ondoordringbaar, slechts af en toe doorbroken door de zoekende lichtbundel. Hij luisterde—zoals alleen een jager dat kan.

Het bos had een taal, en Duncan verstond elk woord. Een plotselinge stilte tussen de takken? Het bos hield zijn adem in—een roofdier was dichtbij. Een snelle, droge trilling in het struikgewas? Kleine prooidieren op de vlucht, opgejaagd door iets groters. Een zachte dreun in de verte? Een hert dat zich voorzichtig een weg baande door de bladeren, alert, maar niet gealarmeerd.

Wanneer hij stil was en zijn adem inhield, hoorde hij meer dan alleen geluiden—hij voelde het ritme van het woud. De jungle was nooit stil. Een onophoudelijke kakofonie van cicaden en krekelzwermen golfde als een ademhaling door het bladerdak, opzwellend en wegstervend in een hypnotisch ritme.

Vanuit de bomen klonk plotseling het scherpe geluid van een tjitjak, een kleine huisgekko die zijn naam leek te roepen: "tjik-tjik-tjik!" Hoger in het bladerdak riep een grotere tokeh met zijn kenmerkende roep—kort, schel, bijna lachend: "to-kéh, to-kéh!"

Het doffe plonsen van een watervaraan verbrak het ritme, gevolgd door het geritsel van bladeren toen hij zich een weg baande door het riet. En verderop klonk het lage gegrom van een krokodil—geen schreeuw, geen snauw, maar een traag, vibrerend geluid dat niet alleen de lucht deed trillen, maar diep doorresoneerde in je borstkas.

Everine richtte de zaklamp naar voren, en toen—twee vurige kooltjes braken door de duisternis. Het waren de ogen van een krokodil. Fel en bewegingsloos, net boven het wateroppervlak.

De roeiers hielden hun adem in. Duncan bleef stil, zijn ogen gefixeerd op het beest. Eén seconde, twee seconden—zijn ademhaling vertraagde, zijn vinger vond de trekker.

Een knal sneed door de nacht. Het water droeg de echo met zich mee.

De roeiers schoten direct in actie. Een lus werd om de kop van het dier gegooid voordat het naar de modderige diepte kon verdwijnen. Het karkas werd langzaam naar de oever gesleept, waar het werd achtergelaten tot de jacht voorbij was.

Een schouwspel aan de oever

Tegen het ochtendgloren verzamelden ze hun buit. De Javaanse dorpelingen uit de nabije kampong hadden zich langs de oever verzameld—gehuld in kleurrijke sarongs en eenvoudige katoenen overhemden. Kinderen stonden op blote voeten in het zand, hun ogen groot van verwondering. Oudere mannen knikten goedkeurend, terwijl een paar vrouwen fluisterend naar de rij dode krokodillen wees.

Toen Duncan en Kastawi de beesten in de auto hesen, werd er gelachen en gewezen. Nieuwsgierige jongens probeerden voorzichtig de geschubde staart van een krokodil aan te raken, terwijl een oude man een korte gebedspreuk mompelde, alsof hij respect wilde betuigen aan het offer.

De rit door het dorp trok altijd bekijks. De gedode krokodillen lagen vastgesjord op het bagagerek, hun kaken nog half open alsof ze elk moment weer tot leven konden komen. Jong en oud stopten hun werkzaamheden en staarden de auto na, terwijl stofwolken achter de wagen optrokken.

De ambacht na de jacht

Eenmaal thuis begon het echte vakwerk. De verkoop van de huiden bracht meer op dan de jacht zelf. In onzekere tijden, waarin salarissen stagneerden en de crisis de kolonie niet ongemoeid liet, was het een welkome bijverdienste. Duncan sneed de huid zorgvuldig los van het vlees, een taak die precisie vereiste. Een scherpe geur hing in de lucht—metaalachtig bloed, vermengd met zout en zweet. Kastawi hielp hem de huid over een houten rek te spannen, zodat ze niet zouden krimpen terwijl ze droogden.

Met een scherp mes schraapte Duncan het overtollige vet en weefsel weg. De ruwe textuur van de schubben voelde koel aan onder zijn vingers, de huid glanzend en stevig. Vervolgens werd een mengsel van zout en alum gebruikt om het leer te conserveren en te voorkomen dat het bederf zou inzetten.

De krokodillenhuiden werden opgehangen in de achtertuin, wapperend in de wind als een vreemde, macabere vlag. De zon trok langzaam in het leer. De lucht hing zwaar van de penetrante geur van vochtige huid, zout en de weeïge geur van bederf. Zodra de huiden voldoende gedroogd waren, verkocht Duncan ze aan het jachthuis "NIMROD", waar ze zouden worden verwerkt tot luxe krokodillenleer.

Duncan poseert trots met een van zijn jachttrofeeën — een krokodil.JPG
Duncan poseert trots met een van zijn jachttrofeeën: een krokodil. De foto komt uit het bezit van Duncans zoon Frans en is beschikbaar gesteld door Frank Victor Boon.

Toen de stilte brak

De dagen in Sepanjang leken vredig, maar onder het oppervlak groeide de dreiging. Het huis baadde in de zon, de kinderen speelden in de tuin, en Duncan hield zich bezig met zijn werk, de jacht en de muziek. ’s Avonds streek hij neer in zijn favoriete stoel, trok zijn viool uit de kist en liet melancholische tonen door de gallerij zweven. Zijn vingers vonden moeiteloos de snaren. Maar buiten die vier muren was de wereld in beweging.

Het begon met geruchten—fluisteringen op de markt, in de fabriek, overal waar mensen samenkwamen. Een kruidenverkoper waarschuwde zijn klanten fluisterend dat Japanse troepen al op Sumatra waren geland. In de fabriek werd gemompeld dat het garnizoen in Tarakan was vernietigd. Bij de koffiehuizen, waar de gesprekken zachter werden zodra een onbekende binnenkwam, klonk steeds dezelfde vraag: “Hoelang nog?” Japan, dat al jaren zijn militaire macht uitbreidde, trad steeds agressiever op in de regio. Berichten over de val van Indochina en de Amerikaanse olieblokkade tegen Japan deden de ronde. In Batavia probeerde het gouvernement de gemoederen te sussen, maar Duncan wist beter. Hij zag de spanning in de gezichten van Europese bestuursambtenaren, de groeiende nervositeit, en de radicalisering van nationalistische groeperingen.

De koloniale samenleving waarin hij was opgegroeid begon te wankelen. Indo-Europeanen voelden zich steeds meer klem zitten tussen de Nederlandse elite en de inheemse bevolking. Waar hij zich vroeger zonder zorgen door de straten van Soerabaja bewoog, ving hij nu vijandige blikken op. Voor de Nederlanders en Indo-Europeanen kwamen de Japanners als vijanden, maar velen in de inheemse bevolking zagen hen als bevrijders van het Nederlandse kolonialisme.

Achter de schermen bereidde het koloniale bestuur zich voor op oorlog. Er werd gesproken over evacuaties, voedselvoorraden inslaan, en de verplichte dienstplicht voor Europese en Indische mannen. Duncan had geen zeggenschap over zijn lot. Als Indo-Europeaan werd hij verplicht gemobiliseerd voor de Landstorm—de laatste verdedigingslinie tegen de Japanners. Ondertussen trok de plaatselijke politie van huis tot huis, dwingend vuurwapens en munitie in te leveren. Duncan stond met zijn oude jachtgeweer in zijn handen—zijn trouwste metgezel. Nu moest hij het afgeven, zonder te weten of hij het ooit nog in zijn handen zou voelen.

Wanneer thuis geen thuis meer is

In de aanloop naar de oorlog hadden Duncan en Everine al voorzorgsmaatregelen getroffen. Met een zwaar hart had zijn vrouw bijna al haar juwelen in een blikken trommel verstopt en begraven in de tuin. Kleding en medicijnen waren in kleine bundels gebonden, klaar om mee te nemen. Maar echt gereed konden ze niet zijn voor wat komen zou.

De schemering viel, en een zware stilte legde zich over Sepanjang. Normaal zou dit het uur zijn waarin de jungle tot leven kwam—krekels die hun liederen inzetten, vogels die zich klaarmaakten voor de nacht. Maar nu was er niets. Geen ritselende bladeren, geen zacht geruis van de wind door de palmen. Zelfs de honden, die normaal alert waren, lagen verstijfd in de schaduw. Iets was op komst. Iets wat de natuur zelf leek te voelen. En toen kwam het fluisteren. Eerst zacht, als een gerucht, gedragen door de wind. Maar al snel als een storm die door de straten raasde: de Japanners kwamen.

Buiten klonk geschreeuw—kort, fel, in een taal die ze niet verstonden. Gedempte voetstappen naderden over het zandpad, steeds dichterbij. De honden spitsten hun oren—alert op de naderende dreiging. Toen de schimmen zichtbaar werden, bonkte Everines hart in haar borstkas. Een ijskoude golf van paniek overspoelde haar. Het waren Japanse soldaten. Haar hand omsloot de kinderen stevig, hun lichamen trillend tegen de hare. Duncan wierp haar een snelle blik toe—geen woorden waren nodig. Er was geen tijd om te twijfelen. Hij voelde de adrenaline zijn spieren overspoelen en wist wat hem te doen stond.

Duncan floot kort en scherp. Nog voordat het geluid wegebde, schoten de jachthonden de duisternis in. Met platgelegde oren, ontblote tanden en spieren die trilden van ingehouden kracht stormden ze op de Japanse soldaten af. Maar anders dan het wild dat ze gewend waren op te jagen, schoten hun prooien deze keer hard, snel en meedogenloos terug.

Elke knal perste een rauwe kreet uit de duisternis. Een hond werd in volle vaart tegen de grond geslagen, zijn lijf spastisch trekkend op de bebloede grond. Een ander sprong op een soldaat, tanden diep in vlees, maar een geweerschot scheurde zijn flank open. De laatste hond kroop verder, zijn borst over de aarde schurend, een poot nutteloos achter zich aan slepend. Uit zijn bek kwamen korte, schrille uithalen—hoog, rauw, gebroken.

Hun offer gaf de familie de seconden die ze nodig hadden. Duncan schoot naar de gang, greep een touw en bond het haastig aan een oude reiskoffer. Everine trok de kinderen met zich mee—hun adem zwaar, hun voeten onvast. Ze renden, struikelden, vielen bijna—maar ze mochten niet stoppen. Hun huis, ooit een toevluchtsoord, werd nu overspoeld door indringers. De Japanners stormden naar binnen, hun schaduwen kronkelden over de muren—maar toen. Een fractie van een seconde bleven de soldaten staan, gefascineerd door de sinistere glans van de krokodillenhuiden aan de muur—grillige patronen die in het flakkerende licht bewogen. Die gestolen ademtocht was alles wat de familie nodig had.

Duncan greep het touw steviger vast en ploeterde voort. Achter hem zaten de oudste kinderen, hun kleine armen om elkaar heen geslagen terwijl ze door de modderige rijstvelden werden meegetrokken. Het water sopte onder zijn voeten, zijn spieren brandden bij elke stap. De koffer schuurde over de smalle, glibberige dijkjes, bonkte tegen opkomende rijstplanten, maar hij mocht niet vertragen.

Naast hem bewoog Everine haastig voort, haar gezicht bleek van inspanning. In haar armen droeg ze de jongsten, Marcel en Floortje—hun hoofdjes tegen haar schouders gedrukt, te klein om te begrijpen, maar zwaar van angst en vermoeidheid.

Samen vluchtten ze de nacht in.

De val van Soerabaja

Toen de ochtend aanbrak, bereikten ze de grote stad. In Soerabaja werden ze opgevangen door Everines vader, opa Rommers. Hij had voor hen een huis geregeld aan de Irisstraat—een verlaten woning van een Nederlandse familie die halsoverkop naar Australië was gevlucht. De meubels stonden er nog, vergeten en stoffig. De lucht in de kamers droeg de geur van verleden. Het was een schuilplaats, maar geen thuis.

De dreiging bleef alomtegenwoordig. Dag en nacht dreunden bombardementen door de stad. Laagvliegende Japanse vliegtuigen lieten hun lading vallen op fabrieken, dokken en militaire doelen. Bij elk luchtalarm doken ze weg, hun adem ingehouden, wachtend tot het gevaar overwaaide—als het overwaaide.

Duncan kreeg een oud geweer in handen gedrukt en werd met een groep lotgenoten naar een geïmproviseerd verdedigingspunt gestuurd. De strijd was hopeloos. De Japanners waren beter getraind, beter bewapend, en hun opmars leek niets te kunnen tegenhouden.

Op 9 maart 1942 gaf het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger zich over. Er was geen keuze meer. De bevelen kwamen: de wapens moesten neer. De straten vulden zich met rook, met geschreeuw, met ogen vol wanhoop. Soldaten lieten hun geweren zakken—gezichten getekend door uitputting, verslagenheid, ongeloof. De strijd was gestreden. En verloren. Duncan wist: het was voorbij.

Slechts één dag na de overgave, op 10 maart, werd Duncan door de Japanners opgepakt. Recht tegenover zijn nieuwe huis, op het terrein van de Jaarmarkt, werd hij samen met honderden anderen verzameld.

Japanse interneringskaart van Francis Duncan Jacobsz.jpg
Japanse interneringskaart van Francis Duncan Jacobsz. Bron: Nationaal Archief Den Haag (NL-HaNA_2.10.50.03_434_0473s).

De laatste blik van zijn kinderen

Toen hij opkeek, zag hij hen—kleine silhouetten tegen het bleke ochtendlicht. Frans, Meiske en Iertje stonden bij het zolderraam, hun handjes om de vensterbank geklemd, zoekend naar hun vader. Hun gezichtjes lichtten op toen ze hem zagen. Ze zwaaiden, opgetogen—alsof papa elk moment weer naar binnen zou stappen. Alsof er niets aan de hand was. Alsof dit geen afscheid was.

Duncan slikte. Hij voelde zijn hart samentrekken bij dat onschuldige gebaar—hun kleine armen die zwaaiden met vertrouwen, met liefde. Alles in hem wilde wegkijken, dit beeld bewaren zoals het was. Maar zijn blik bleef gevangen in die van zijn kinderen. Hij hief zijn hand. Een zwaai terug. Trager, zwaarder. Een zwijgend vaarwel.

En toen veranderde alles.

Hun onschuldige gezichtjes verstarden—verwarring, schrik. De zwaai stokte, hun ogen groot en onbeweeglijk.

De kolf van een geweer trof zijn rug, meedogenloos. Hij hapte naar adem, zijn knieën knakten onder hem weg. Nog voor hij de grond raakte, volgde de tweede slag—harder, lager. Hij viel, maar er werd niet gestopt. Een regen van slagen daalde op hem neer. Kolven, laarzen, handen die niet dachten maar sloegen.

Stof vulde zijn mond. De wereld tolde. Pijn brandde in zijn ribben, zijn schouder, zijn nek. Zijn lichaam kromp ineen, maar nergens vond hij bescherming. De Japanse soldaten bulderden van het lachen, alsof hij geen man was, maar een dier dat ze naar believen konden tuchtigen.

Toen het geweld eindelijk ophield, bleef hij liggen—zijn gezicht half in de aarde gedrukt, ademloos, zijn hele lichaam kloppend van pijn. Maar zijn gedachten dwaalden niet af naar zijn verwondingen. Ze bleven hangen bij het raam.

Hij kromp ineen. Maar iets in hem dwong hem te bewegen. Met pijnlijke precisie draaide hij zich om—alsof hij met elke millimeter probeerde terug te grijpen naar wat hij net nog had gezien. Zijn ribben schreeuwden, zijn longen brandden, maar zijn ogen zochten. Zochten naar dat ene beeld. Zochten hén.

Maar het raam was leeg.

Waar het lot zwijgt

De dagen in het kamp in Soerabaja vervaagden in een sleur van honger, hitte en onzekerheid. Duncan wist niet hoelang hij er zou blijven, noch wat hem te wachten stond. De bewakers spraken niet, gaven geen aanwijzingen. Er gingen geruchten over transporten, maar niemand wist precies waarheen. Elke ochtend werden namen afgeroepen, gevolgd door het gerammel van laarzen en het kletteren van geweerkolven op ijzeren hekken. Wie op de lijst stond, verdween. Soms hoorde hij later gefluisterde verhalen over schepen, over onbekende bestemmingen, over mannen die in het niets verdwenen.

Het bevel werd gegeven, en de gevangenen werden ruw op de been geholpen. Duncan voelde de schurende grip van een soldaat om zijn arm, de ruwe duw in zijn rug. De zon brandde op zijn huid, het stof kleefde aan zijn bezwete nek. Om hem heen bewogen schimmen van lotgenoten, hun gezichten hol, hun passen zwaar. De poort opende zich, en voor hen stond een rij trucks met open laadbakken. Het geluid van brullende motoren deed de grond trillen.

Ze werden door elkaar geschud op stoffige wegen, de hitte verstikkend, het lawaai van de motoren doordringend. De lucht was doordrenkt met de geur van olie en angst. Bij elke hobbel in de weg werden de gevangenen tegen elkaar aangedrukt, sommigen fluisterden gebeden, anderen zwegen. Toen de trucks eindelijk stopten, werden ze uitgeladen en in rijen opgesteld. De zon stond hoog aan de hemel, en Duncan voelde het zweet langs zijn rug glijden.

Maar de reis was nog niet voorbij. Onder bewaking werden ze naar de haven gebracht, waar een roestig vrachtschip aan de kade lag. Het schip, ooit gebouwd voor goederen, was nu een drijvende gevangenis. De gevangenen werden in groepen verdeeld en over een smalle loopplank aan boord gedreven. De ruimen waren donker en benauwd, doordrenkt met de geur van olie en zweet. Vanuit een klein patrijspoortje kon Duncan nog net de zon zien schitteren op het water van de Straat Madoera—een grens die hem verder van huis bracht.

De overtocht was kort, maar voelde eindeloos. De motor dreunde zwaar, de metalen romp kraakte bij elke golfslag. Sommige gevangenen staarden zwijgend naar de scheepswand, anderen hielden hun ogen gesloten, alsof ze zich ergens anders wilden wanen. De hitte was verstikkend, het zoute water sloeg tegen de boeg, en boven hen krijsten meeuwen, onverschillig voor het lot van de mannen beneden.

Toen ze van boord strompelden, voelden hun benen onvast, alsof de grond nog de deining van de zee volgde. De lucht was zwaar van zout, olie en uitlaatgassen, vermengd met de scherpe stank van zweet en de bedompte geur van natte stof en roestend metaal. Vliegen zoemden rond stapels afval, terwijl in de verte een schreeuw plots werd afgebroken—een geluid dat verloren ging in de drukkende hitte van het kamp. Voor hen, verscholen achter een rij bomen, lagen de wachttorens en prikkeldraadomheiningen van hun nieuwe gevangenis. Soldaten gebaarden hen om door te lopen. Hier, op Madoera, werden ze opnieuw geteld, opnieuw gerangschikt, opnieuw herleid tot niets meer dan een nummer op een lijst. Hier zou hij opnieuw wachten, opnieuw hopen, zonder te weten wat de volgende dag zou brengen.

Nooit

Op een namiddag werd de gebruikelijke stilte van het kamp doorbroken. Eerst zacht, bijna onmerkbaar, maar al snel groeide het geroezemoes bij het hek. Gevangenen hieven hun hoofden, zoekend naar de bron van de opwinding. Duncan spitste zijn oren, zijn hart sloeg een slag over. Er was iets—of iemand—die niet tot de alledaagse ritmes van gevangenschap behoorde.

Tussen de silhouetten van de wachtposten verscheen een vertrouwd gezicht. Everine. Ze had een prauw gehuurd om de Straat Madoera over te steken, risico’s negerend, enkel om hem nog één keer te zien. Haar ogen glansden, haar handen trilden terwijl ze zich vastgreep aan het metalen raster. Ze wisselden woorden uit, fluisterend, haastig, alsof elke seconde een diefstal was van de vijand. “Duncan, hou vol,” zei Everine, haar stem trillend maar vastberaden. “Wat er ook gebeurt, vergeet ons niet.” Duncan klemde zijn handen om de spijlen. “Nooit,” fluisterde hij. Wat ze precies zeiden, vervaagde in de tijd. Maar de emotie bleef. Hun vingers gleden van het metaal alsof ze elkaar moesten loslaten uit een droom.

Zijn laatste station

De lucht was verstikkend. Een misselijkmakende geur van olie, roest en menselijke uitwerpselen dreef in de hitte. Duncan hoorde geschreeuw, bevelen in een taal die hij niet verstond, en het angstige gefluister van mannen om hem heen. Plotseling werd hij vooruit geduwd, voeten glijdend over het natte dek.

IJzeren randen sneden in zijn handpalmen toen hij naar beneden werd gecommandeerd. De ruimte was aardedonker. De warmte sloeg hem in het gezicht, zwaar en onontkoombaar. De lucht was muf, doordrongen van urine en braaksel. Lichamen wrongen zich in vreemde hoeken, op zoek naar een plek om te ademen. Niemand zei iets.

Duncan was opgeslokt door de duisternis. Een drijvende gevangenis, een stalen doodskist, die hem van Madoera naar Singapore zou brengen. De enige ademruimte kwam als de luiken even open gingen. Mannen strekten hun gezichten naar de zon, alsof ze bang waren dat ze anders nooit meer daglicht zouden zien.

Changi

Op 17 januari 1943 kwam Duncan aan in Changi, Singapore. Ze werden uit het ruim gejaagd als vee—verblind, versuft, na dagen in het donker. Japanse bewakers stonden roerloos langs de kant—laarzen gepoetst, geweren glimmend. Hun uniformen strak, hun blikken leeg. Ze waren het tegenovergestelde van de mannen die voor hen stonden: uitgehongerd, gehavend.

Dit was Changi. Er was geen orde. Alleen willekeur. Bewakers sloegen zonder reden, schreeuwden zonder waarschuwing. Executies waren stil, soms zelfs zonder uitleg—alsof een naam op een lijst volstond om iemand te laten verdwijnen.

Voedsel was schaars: een handvol rijst met krioelende maden, een soep zo dun als regenwater. Ziekte verspreidde zich als een gedachte: snel, onstuitbaar, verstikkend. Lichaamsluis, dysenterie, tropenzweren—ze hadden geen naam meer. Alleen pijn.

Sommigen werden aan palen gebonden, urenlang, overgeleverd aan de zon tot hun schaduw verdween. Als ze in elkaar zakten, volgde nog straf. Anderen moesten knielen op scherpe stenen, roerloos, tot hun benen verstijfden en hun ruggengraat kraakte onder het gewicht van de uren.

Toch was er hier en daar een sprankje verzet—een dagboek op toiletpapier, een fluisterende grap, een geïmproviseerd toneelstuk achterin een barak. Tekens van hoop, klein en breekbaar. Maar de meesten zwegen. Omdat zelfs woorden daar stierven.

De Birma-spoorlijn

Tien dagen later, op 27 januari 1943, werd hij opnieuw verscheept—dit keer op wielen. In een houten goederenwagon zonder ramen, zonder ruimte, werd Duncan samen met tientallen anderen geperst: lichaam tegen lichaam, zweet tegen huid, adem gedeeld in een lucht die steeds zwaarder werd. De hitte sloot zich als een vuist om zijn keel.

De trein zette zich in beweging. De locomotief zuchtte bij elke ruk, de wielen beukten onverbiddelijk over de rails—een ritmisch vonnis dat bleef hameren, als een klok zonder genade. Elke slag dreef hem verder weg van wie hij ooit was geweest. Er was geen uitzicht, geen richting, geen tijd—alleen de eindeloze rails onder hen.

Toen de wielen eindelijk tot rust kwamen, was hij niet op een bestemming aangekomen—maar aan het begin van iets dat erger was dan alles daarvoor. In Nong Pladuk begon wat de wereld later de Birma-spoorlijn zou noemen—een slang van staal die zich door de jungle wrong, verslindend alles op zijn pad.

De eerste dagen voelde Duncan nog honger. De eerste weken voelde hij nog pijn. Daarna verdween het, alsof zijn lichaam was vergeten wat het ooit had gekend. Zijn handen werden afgestompt tot werktuigen—grof, gevoelloos, blind. Zijn rug stond open van de bamboezwepen, zijn schouders schuurden tegen de ruwe stammen van de dwarsliggers die hij moest tillen. Hij hakte, sleepte, droeg—zonder begin, zonder einde. Zijn lichaam werkte, zijn geest vluchtte.

Vermelding van Francis Duncan Jacobsz op de kamplijst van Thailand POW Branch Camp No.IV. The National Archives (UK)-images-0.jpg
Eén naam tussen duizenden: Francis Duncan Jacobsz, vermeld op de kamplijst van Thailand POW Branch Camp No. IV. Bron: The National Archives (UK).

Aan de rand van de dood

In november 1943 sloeg de malaria toe—meedogenloos, met ijzeren klauwen. Zijn botten rammelden als een trein die uit de rails liep, zijn huid tegelijk brandend heet en ijskoud. Koortsrillingen golfden door zijn lichaam terwijl hij vocht tegen de verlamming die zijn ledematen zwaar en vreemd maakte, alsof ze niet langer van hem waren. Hij rilde, maar het zweet gutste van hem af—kleverig, zuur, doordrenkt met de geur van angst.

Ziekte betekende zwakte. En zwakte betekende gevaar. De bewakers tolereerden geen man die niet kon werken; een last werd afgedankt, dood of levend. Toch dwong hij zichzelf om overeind te blijven, wankelend, balancerend op de grens tussen overleven en verdwijnen. Dagenlang klampte hij zich vast aan het ritme van de dwangarbeid, tot zijn lichaam hem uiteindelijk verried. Op 7 november werd hij, meer gesleept dan lopend, naar het geïmproviseerde veldhospitaal in Kanchanaburi gebracht.

Hospitaal. Het woord alleen al was een leugen. Er was niets steriels, niets dat zorg of genezing suggereerde. Alleen stank, vliegen, bloed en stilte. Lichamen lagen als broze takken naast elkaar, de een nog ademend, de ander niet meer. Vliegen zwermden over etterende wonden, hun gezoem vermengde zich met het schorre gekreun van de stervenden. De grond was hard en bezaaid met bebloed stro, een plek waar hoop even snel stierf als de mannen die er lagen.

Toch klampte hij zich vast aan de adem in zijn longen. Iets hield hem hier. Een instinct, een herinnering, een belofte die hij zichzelf had gedaan—ook al wist hij niet meer precies welke. Op 23 november werd hij overgebracht naar het pas opgezette base hospital. Daar vocht hij, tussen de rijen levenden en doden, om iets terug te vinden dat op leven leek. En toen hij voldoende was hersteld, werd hij teruggestuurd naar Kamp 2 in Nong Pladuk.

Hij had niet langer de kracht om dwarsliggers te dragen, maar sterk genoeg waren zijn handen nog wel om wagons te laden en te lossen. Dag na dag sleepte hij zichzelf over de perrons, terwijl locomotieven dikke rookwolken uitbraakten. Het werk was minder slopend, maar de discipline bleef genadeloos. Bewakers sloegen zonder reden, zonder waarschuwing—gewoon omdat ze het konden. De honger was een constante metgezel, een bodemloze krater in zijn maag die nooit werd gevuld. Zijn ribben staken uit als bielzen onder de rails, scherp en onverbiddelijk.

Soms, terwijl hij zakken rijst uit een wagon hees, voelde hij de ruwe jute tegen zijn handen en moest hij denken aan de ziekenbarak. Een maand geleden dacht hij dat hij nooit meer zou tillen. Elke ademteug was toen nog een strijd. Nu werkte hij weer. Nog steeds gevangen. Maar levend.

Elke dag zag hij mannen sterven aan uitputting, mishandelingen, ziektes. Ogen die leeg werden, lichamen die roerloos bleven liggen, langzaam opgenomen door de modder onder hen. De dood was een zekerheid, een langgerekte schaduw die zich in iedere beweging verschool. Maar net als de trein die zijn rook over de sporen blies, werd Duncan voortgedreven door iets wat hij zelf nauwelijks begreep. Iets dat sterker was dan de pijn, de honger, en de dood die overal om hem heen waarde. Iets dat hem vertelde dat hij ooit terug zou keren naar huis.

Kui Yae

Midden 1944 werd hij opnieuw verplaatst, dieper het binnenland in richting Birma. Op 190 kilometer van Nong Pladuk, in het kamp Kui Yae, begon de volgende fase van zijn gevangenschap. De eindeloze dagen waren gevuld met het zware werk aan de rails en bruggen—dezelfde rails die hij biels na biels had zien groeien. Hier was geen begin en geen einde. Alleen een spoorlijn gebouwd op het bloed en de botten van hen die ervoor stierven.

Maar het werk ging altijd door. De treinen moesten blijven rijden. En dus werkte hij. Zoals hij altijd had gedaan. Zijn handen werden ruw, zijn spieren stram, zijn lichaam dunner. De honger knaagde als een termiet aan zijn ribben. Maar hij hield vol. Tot de oorlog zelf een barst in de routine sloeg.

Op 8 december 1944 sneed een diep, dreunend gezoem door de lucht, laag en aanzwellend, als een storm die op het punt stond los te barsten. Duncan keek op en zag stipjes in de verte, snel naderend als roofvogels op zoek naar een prooi. De lucht sidderde van de spanning, de aarde trilde onder zijn voeten.

Toen kwam de klap.

Een vuurzee scheurde door het kamp terwijl een trein, zwaarbeladen met wapens en voorraden, werd geraakt. De wagons rezen op als afschuwelijke marionetten—opengereten door de kracht van de inslag. Houten balken spatten uiteen als versplinterde ribben, metalen brokstukken vlogen met een ziekelijk gesnerp door de lucht. Een muur van rook verhief zich boven de rails.

Voor het eerst in jaren voelde hij iets wat hij bijna was vergeten: hoop. Misschien zou deze hel niet eeuwig duren. Misschien zou er een dag komen waarop de oorlog zou keren, waarop de locomotieven die hen naar de dood dreven voorgoed tot stilstand kwamen.

Maar voor Duncan kwam die dag te laat.

De hoop die even had geflikkerd, doofde uit toen de vijand die hij niet kon ontwijken zich opnieuw in zijn lichaam nestelde. De malaria, sluimerend als een roofdier, sloeg weer toe. Zijn lichaam was te zwak voor nog een gevecht. De koorts vlamde op, beet zich vast zoals een krokodil die zijn prooi onder water trok. Hij vocht, maar het was geen strijd die hij kon winnen.

De wereld om hem heen vervaagde.

Het lachen van zijn kinderen dwarrelde door zijn hoofd, als de wind door de rijstvelden van Sepandjang. Ans’ kleine handjes, warm en plakkerig in de zijne. Meiske’s eerste, onzekere stapjes op de veranda—zijn armen uitgestrekt om haar op te vangen. Kastawi, grijnzend, klaar om achter op de auto te springen zodra hij vaart minderde. Hij rook de frisse geur van natte aarde na een regenbui, het zoete aroma van rijstvelden die zich uitstrekten tot aan de horizon.

Maar de horizon verdween.

De herinneringen, ooit levendig en tastbaar, begonnen op te lossen in de hitte van de koorts. De rijstvelden maakten plaats voor de broeierige lucht van het kamp. De houten veranda loste op in de harde, met bloed doordrenkte grond van Kui Yae. Hij zag zichzelf nog één keer op zijn motor, de wind in zijn gezicht, de vrijheid zo dichtbij dat hij hem bijna kon aanraken. Maar nu was er geen wind. Geen weg. Geen vrijheid.

Zijn ademhaling werd onregelmatig, oppervlakkig—als een locomotief die puffend zijn laatste meters aflegde. Hij probeerde zich vast te klampen. Aan de geur van birkenzeep. Aan het trillende geluid van zijn viool. Aan het zachte gewicht van zijn kinderen in zijn armen na een lange dag spelen. Maar de koorts trok hen weg. De geluiden stierven uit. Alleen de stilte bleef over.

Op 29 december 1944 raakte hij in een delirium. Zijn gedachten waren een mist, afwisselend gevuld met stemmen uit het verleden en de eindeloze pijn van het heden.

Op 2 januari 1945 gaf zijn lichaam zich over. Geen muziek. Geen geur van thuis. Geen stemmen van zijn kinderen. Alleen de stilte.

Een leven dat begon met de fluit van een locomotief, eindigde langs een rails die hij met zijn eigen handen had gelegd.

Graf van Francis Duncan Jacobsz op het Geallieerden Ereveld te Kanchanaburi (vak 3, rij 3, nummer 30).jpg
Na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog werd Duncan herbegraven op de Erebegraafplaats Kanchanaburi in Thailand, alwaar zijn graf te vinden is in vak 3, rij A, nummer 30. Deze foto is geschoten op 7 oktober 2023 door zijn achterkleinzoon Jeffrey Thümann, auteur van dit verhaal.

Verhalen

Meer ontdekken?

Anton H.G.H. Thümann: Het lot van een Indische halfwees

Angeline Amaly Jacobsz: Een Indisch meisje in Holland

Ouder dan de kolonie: De eeuwenoude familie Jacobsz